VO/ZO week 8 Flashcards

1
Q

Kindermishandeling definitie

A

: Elke vorm van voor de minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Vormen van mishandeling:

A
  • Lichamelijke mishandeling
  • Lichamelijke verwaarlozing
  • Emotionele mishandeling
  • Emotionele verwaarlozing
  • Seksueel misbruik
  • Pediatric condition falsification
  • Getuige zijn van huiselijk geweld
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Lichamelijke verwaarlozing:

A
  • Onvoldoende noodzakelijke zorg verlenen of toestaan
  • Verlaten van het kind zonder dat vooraf gezorgd is voor noodzakelijke zorg en supervisie
  • Ontoereikend toezicht
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Psychische verwaarlozing:

A
  • Merkbaar gebrek aan aandacht voor het kind
  • Affectieve verwaarlozing / onveiligheid
  • Bewust toestaan breken wetten
  • Onvoldoende psychische of gedragsgerelateerde zorg verlenen of toestaan
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Seksueel misbruik definitie

A

het dwingen van een kind om seksuele handelingen te ondergaan, uit te voeren en/of bij te wonen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Pediatric condition falsification:

A
  • Psychiatrische stoornis en vorm van fysieke / psychische mishandeling:
    o Fysieke / psychische klachten bij het kind nabootsen (fabrication)
    o Direct klachten bij kind veroorzaken (induction)
    o Klachten verzinnen of aanpraten (verbal fabrication)
    o Bestaande klachten uitvergroten (exaggeration)
  • In 75-90% is moeder de pleger
  • Mortaliteit 6%
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat maakt signaleren lastig:

A
  • Slachtoffer: loyaliteit, schuldgevoel/schaamte, machteloosheid/angst
  • Ouders/daders: onderlinge loyaliteit, schuldgevoel, angst
  • Hulpverlener: onzekerheid, machteloosheid, onwetendheid, angst voor onterecht beschuldigen, inbreuk vertrouwensrelatie, angst gevolgen melding
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Risicofactoren kindermishandeling:

A
  • Kind: ongewenst, prematuur, handicap, gedragsproblemen, stief- of adoptiekind
  • Ouder: zelf mishandeld, psychiatrie, verslaving, weinig opvoedkundige kennis, hoge verwachtingen kind
  • Gezin: relatieproblemen, werkloosheid, financiële problemen, isolement, groot gezin, alleenstaande ouder
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Aanwijzingen in anamnese kindermishandeling:

A
  • Inconsistent verhaal
  • Delay in zoeken medische hulp
  • Verhaal klopt niet met geobserveerd letsel
  • Broertjes/zusjes/kind krijgt de schuld
  • Opmerkelijk gedrag ouders
  • Opmerkelijke interactie ouder-kind
  • Uitspraken van kind
  • Herhaalde ‘ongelukjes’
  • Medisch shoppen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Meldcode kindermishandeling:

A
  1. Onderzoek, kindcheck, mantelzorgcheck
  2. Advies bij Veilig thuis en collega
  3. Gesprek betrokkenen
  4. Zo nodig overleg met betrokken professionals en signaal VIR
  5. Beslissen over melding via 5 vragen
    a. Heb ik na stappen 1tm4 nog steeds vermoeden
    b. Is er sprake van acute of structurele onveiligheid
    c. Kan ik effectieve hulp bieden/organiseren
    d. Aanvaarden betrokkenen hulp
    e. Leidt hulp binnen aanvaardbare tijd tot herstel van duurzame veiligheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Skeletstatus:

A
  • Bij alle kinderen < 2 jaar met onverklaarde fractuur
  • Bij ernstig vermoeden mishandeling bij ander kind in gezin
  • In principe altijd herhalen na 2 weken ivm callusvorming
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Zeer specifieke fracturen kindermishandeling:

A
  • Ribfracturen
  • Klassieke metafysaire fractuur
  • Fractuur scapula
  • Fractuur sternum
  • Fractuur processus spinosus
  • Ongewoon bij val van < 1 m
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Rode vlaggen bij blauwe plekken (TEN4FACESp):

A
  • TEN: torso, ears, neck
  • 4: 4 maanden en jonger
  • FACES: frenulum, kaak, wang, oog, subconjunctivae
  • P: patroonvorming
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Kenmerken toegebracht breinletsel:

A
  • Multipele fractuur
  • Wijde en grillige fractuurlijnen
  • Wijde schedelnaden
  • Intracranieel letsel
  • Vaak retinabloedingen zichtbaar
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Aanwijzingen seksueel misbruik:

A
  • Uitspraken kind
  • Symptomen lokaal trauma of infectie
  • Gedragsveranderingen
  • Afwijkend seksueel gedrag of teveel seksuele kennis voor leeftijd
  • Afwijkend gedrag bij onderzoek genitale regio
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Veilig thuis behandelt:

A
  • Kindermishandeling
  • Ouderenmishandeling
  • Huiselijk geweld
  • Echtscheidingsproblematiek
  • Schadelijke traditionele praktijken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Definitie huiselijk geweld

A

Geweld dat door iemand uit de huiselijke- of familiekring van het slachtoffer gepleegd wordt waaronder:
- lichamelijke en seksuele geweldpleging, belaging en bedreiging
- al dan niet door middel van of gepaard gaande met beschadiging van goederen in en om het huis
De nadruk ligt op de relationele context waarbinnen het geweld (verbaal of fysiek) wordt gepleegd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Vormen huiselijk geweld:

A
  • Vechtscheidingen
  • Ouderenmishandeling
  • Kindermishandeling
  • Schadelijke traditionele praktijken
  • Jeugdprostitutie/loverboys
  • Intiem terreur
19
Q

Definitie ouderenmishandeling

A

Al het handelen of nalaten van handelen jegens (geheel of gedeeltelijk) een afhankelijke oudere, door diegene(n) die in een persoonlijke en/of professionele relatie met die oudere staa(t)n, waardoor de oudere herhaaldelijk lichamelijke, geestelijke of materiele schade lijdt of zal lijden.

20
Q

Vormen ouderenmishandeling:

A
  • Financiële uitbuiting
  • Verwaarlozing
  • Psychische mishandeling
  • Schending van rechten
  • Seksueel misbruik
  • Ontspoorde mantelzorg
  • Lichamelijke mishandeling
21
Q

Definitie schadelijke traditionele praktijken

A

Schadelijke traditionele praktijken zijn huiselijk geweldsvormen, verminking en onderdrukking, die voortkomen uit orthodoxe (streng gelovige) of conservatieve tradities en strikte opvattingen over seksualiteit en man/vrouwrollen. Schadelijke traditionele praktijken beperken mensen in hun rechten en vrijheden en zijn daarmee ook een schending van de mensenrechten.

22
Q

Vormen schadelijke traditionele praktijken:

A
  • Eergeweld en eermoord
  • Huwelijksdwang en achterlating
  • Huwelijkse gevangenschap
  • Leven in gedwongen isolement
  • Vrouwelijke genitale verminking
23
Q

Definitie intiem terreur:

A

ernstige vorm van partnergeweld met als kenmerk een patroon van controle en dwang

24
Q

Wie moeten zich aan meldcode houden:

A
  • Gezondheidszorg
  • Onderwijs
  • Kinderopvang
  • Maatschappelijke ondersteuning
  • Jeugdzorg
  • Justitie
25
Q

Meldingscriteria veilig thuis:

A
  • de bedreiging van de veiligheid van een of meer betrokkenen vraagt om directe interventie ( acuut / structureel )
  • er zijn (ernstige) vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (feitelijk, concreet, actueel en uit eigen waarneming)
  • de betrokkenen ontkennen of bagatelliseren de zorgen of zijn niet bereid hulpverlening te accepteren
26
Q

Pulmonale veranderingen rondom geboorte:

A
  • Voor de geboorte is de long gevuld met vocht. Na de geboorte moet de long binnen enkele minuten gevuld worden met lucht om een goede gaswisseling te laten plaatsvinden. Het vocht in de long wordt geabsorbeerd door de pulmonale lymfevaten en capillairen.
  • Dit gebeurt onder invloed van mechanische druk (compressie van de thorax tijdens de uitdrijvingsfase), hormonale factoren (bv. cathecholamines) en door de veranderende druk in de long na de geboorte.
  • Met de eerste ademteugen wordt intrapulmonaal vocht vervangen door lucht.
  • Er is tijdens de eerste ademteug een vrij grote ‘openingsdruk’ nodig (> 20 cmH2O) om de long te laten expanderen.
  • Belangrijke stimuli voor de eerste ademteug zijn kou en audiovisuele, proprioceptieve en tactiele stimuli.
27
Q

Circulatoire veranderingen rondom geboorte:

A
  • Voor de geboorte is de foetus verbonden met de placenta via de navelstreng. Bloed stroomt vanuit de foetus naar de placenta via de arteria umbilicalis (2 arteriae). In de placenta treedt gaswisseling pH en worden voedings- en afvalstoffen uitgewisseld. Vanuit de placenta stroomt het bloed terug naar de foetus via de vena umbilicalis. Via de ductus venosus komt het bloed in de vena cava inferior en vervolgens in het rechteratrium.
  • Aangezien de long antenaal nog geen functie heeft bij de gaswisseling, is er een bij-pass van het bloed via de ductus arteriosus naar de aorta en via het open foramen ovale naar het linkeratrium (zie figuur 9.7, Lissauer).
  • Direct na de geboorte ontplooien de longen zich. De vasculaire weerstand van de longen daalt acuut. Daarbij stijgt de vasculaire weerstand van de systemische circulatie, aangezien de placenta (met een zeer lage weerstand) wordt verwijderd met het afklemmen van de navelstreng. Door deze veranderingen stijgt de bloedstroom naar de longen en vermindert de bloedstroom door de ductus arteriosus. Als gevolg van de verhoogde longflow stijgt de pulmonaalveneuze retour naar het linkeratrium. Hierdoor stijgt de druk in het linkeratrium en wordt het foramen ovale dichtgedrukt.
  • De ductus arteriosus blijft open in utero onder invloed van prostaglandines. Aan het eind van de zwangerschap wordt de ductus steeds gevoeliger voor het constrictieve effect van zuurstof. Na de geboorte stijgt de zuurstofspanning in het bloed en sluit de ductus zich, normaal gesproken binnen enkele dagen na de geboorte.
28
Q

Waar staat APGAR voor?

A

Activity - spiertonus
Pulse - groter of kleiner dan 100 BPM
Grimace - reflex
Appearence - huidskleur
Respiration - ademhaling/huilen

29
Q

Keizersnede vs vaginale partus:

A
  • Kinderen geboren na een primaire keizersnede hebben niet het fysiologische proces van de bevalling doorgemaakt. De bevalling is een zeer uitvoerig en complex geheel van hormonale en ook mechanische invloeden op de foetus. Bij een primaire keizersnede ontbreken deze invloeden.
  • Voor de adaptie direct va de geboorte geldt dat de longen van het kind na een keizersnede niet zijn ‘samengeperst’ door het geboortekanaal. Hierdoor duurt het vaak langer voordat al het interstitieel vocht in de long is opgenomen door het capillair bed.
  • Dit resulteert in het klinische beeld van een TTN (transient tachypnoea of the newborn) of wet lung. Kinderen kreunen dan vaak, hebben een tachypneu en soms zuurstofbehoefte.
  • Meestal herstelt dit binnen 24 uur/ een belangrijke en serieuze complicatie van TTN is een pneumothorax.
30
Q

Neonatale resuscitatie

A
  • Volgt ook het ABC-principe. Eerst moet gezorgd worden voor een adequate luchtweg (Airway).
  • Vervolgens dient de long ontplooid te worden en gezorgd te worden voor gasuitwisseling in de long (Breathing). In de meeste gevallen zal dit leiden tot een adequate hartslag en vervolgens circulatie.
  • In sommige gevallen is verdere (eventueel medicamenteuze) resuscitatie noodzakelijk.
  • Iedere fase mag 30 seconden duren
31
Q

Persistent Pulmonary Hypertension of the Newborn (PPHN):

A
  • Hierbij is de longvaatweerstand dus te hoog. Als gevolg hiervan zal er een rechts-links shunt optreden op het niveau van foramen ovale en de ductus arteriosus. Dit leidt tot cyanose.
  • In sommige gevallen kan dit leiden tot ernstige (cardio)respiratoire insufficiëntie, waarbij intensieve beademing en bloeddrukondersteuning nodig is.
  • Differentiaaldiagnostisch moet gedacht worden aan een aangeboren hartafwijking.
  • Mogelijke oorzaken van PPHN zijn onder andere perinatale asfyxie, perinatale infectie en longhypoplasie (bijvoorbeeld bij congenitale hernia diafragmatica). Ook bij meconium aspiratie wordt vaker pulmonale hypertensie gezien.
32
Q

Sluiten van ductus arteriosus:

A
  • De ductus arteriosus blijft open in utero onder invloed van prostaglandines.
  • Aan het eind van de zwangerschap wordt de ductus steeds gevoeliger voor het constrictieve effect van zuurstof. Na de geboorte stijgt de zuurstofspanning in het bloed en sluit de ductus zich, normaal gesproken binnen enkele dagen na de geboorte. Bij prematuur geboren kinderen (< 37 weken) sluit de ductus minder gemakkelijk. De tijd tot volledige sluiting is daarmee vaak langer en soms sluit de ductus in het geheel niet. Dit kan leiden tot een links-rechts shunt op het niveau van de ductus en tot longvaatovervulling. Tegelijkertijd treedt er een ‘steal’ op van de systematische circulatie.
  • Aan prematuren met een persisterende open ductus arteriosus (PDA) kan overwogen worden om prostaglandine synthese-remmer (bv. indomethacine of ibuprofen) te geven.
  • Bij kinderen met een aangeboren hartafwijking is de circulatie soms afhankelijk van het openblijven van de ductus arteriosus, bijvoorbeeld in het geval van een pulmonalisatresie of een coarctatio aortae. Als de ductus dan sluit komt de pasgeborene acuut in de problemen door de gecompromitteerde circulatie. In deze gevallen kan prostaglandine (Prostin) gegeven worden om de ductus tijdelijk open te houden, totdat een meer definitieve (chirurgische) oplossing gevonden is.
33
Q

Renale uitscheiding is m.n. afhankelijk van

A

glomerulaire filtratie. Er zijn weinig geneesmiddelen waarbij actieve tubulaire secretie een belangrijke rol speelt.

34
Q

Hygroma colli

A

Een hygroma colli is een vochtophoping in de weke delen van de nek van de foetus. Deze kan voorkomen in het kader van hydrops foetalis, waarbij ook vochtcollecties op andere plaatsen kunnen voorkomen, zoals hydrothorax, hydropericard, ascites en gegeneraliseerd oedeem. Ook hydrops van de placenta vormt een onderdeel van hydrops foetalis

35
Q

Aanleggen borstvoeding advies

A

U adviseert elke 2-3 uur aan te leggen, bij voorkeur “on demand”; dus als het kind zelf aangeeft honger te krijgen.
b. Wanneer de borst te infrequent gestimuleerd wordt komt de melkproductie onvoldoende op gang. Als het kind daardoor te weinig voeding binnen krijgt kan er “stille ondervoeding aan de brost” optreden; het kind krijgt lage bloedsuikers, wordt slomer en gaat steeds slechter drinken, waardoor de borst weer onvoldoende gestimuleerd wordt; een vicieuze cirkel.

36
Q

Benoem de meest voorkomende metabole stoornis bij het kind die een contra- indicatie vormt voor het geven van moedermelk.

A

Galactosemie (PKU)

37
Q

Hoeveel mag een gezonde zuigeling afvallen ten opzichte van het geboortegewicht?

A

Algemeen wordt aangehouden dat een zuigeling 10% mag afvallen. De voorwaarden moeten dan wel zijn dat de melkproductie goed op gang komt, het kind in goede klinische conditie is en de capaciteit heeft goed te drinken (niet suf/ondertemperatuur). Bij hoog-risico kinderen (prematuren, dysmaturen, infectie) wordt vaak bij een gewichtsverlies van 7,5% al ingegrepen.

38
Q

Ontwikkelingstheorie volgens Piaget kritiek:

A
  • Stapsgewijze ontwikkeling verloopt niet nauwkeurig
  • Rol van aangeboren eigenschappen
  • Rol van volwassenen tijdens leerproces
39
Q

Sensomotorische stadia:

A
  1. Oefenen met aangeboren reflexen
  2. Primaire circulaire reacties: eigen lichaam
  3. Secundaire circulaire reacties: omgeving
  4. Coördineren van secundaire reacties: intentioneel doelgericht
  5. Tertiaire circulaire reacties: eigenschappen voorwerp
  6. Mentale voorstellingen: interne weergave
  7. Concreet operationele periode: abstracter leren denken
  8. Formeel operationele periode: hypothetisch kunnen denken
40
Q

Objectpermanentie

A

ontwikkelt tussen 6e en 10e maand, relatie met gehechtheid

41
Q

Cognitieve ontwikkelingstheorie volgens Vygotsky, verschil met Piaget:

A
  • Omgeving is van belang voor ontwikkeling
  • Iedereen ontwikkelt op eigen manier
  • Ruimte voor variatie
42
Q

Crystallized vs fluid intelligence:

A
  • Crystallized: verworven door kennis, hangt af van opleiding en ervaring
  • Fluid: vermogen om te redeneren, aangeboren
43
Q

Morele ontwikkeling volgens Kohlberg:

A
  • Preconventioneel stadium: wat goed/slecht is bepaald door directe gevolgen van het gedrag
  • Conventioneel stadium: wat goed/slecht is bepaald door groepsnorm
  • Postconventioneel stadium: wat goed/slecht is bepaald door abstracte begrippen zoals waarheid en fairplay