HC week 8 Flashcards

1
Q

Definieer perinataal en perinatale sterfte

A

Perinataal = AD 22 weken tm 28 dagen postpartum [let op: deel van abortussen wordt dus nog meegerekend]
Perinatale sterfte = doodgeboorte of sterfte perinataal en/of >500g geboortegewicht en/of 25 cm kruin-hiellengte (bij onbekende zwangerschapsduur)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Oorzaken van perinatale sterfte:

A
  • Prematuriteit
  • Dysmaturiteit
  • Aangeboren afwijkingen
  • Placenta-afwijkingen
  • Infecties
  • Lage APGAR score
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Placentapathologie:

A
  • Te laag gewicht / insufficiëntie
  • Terminale villus deficiëntie
  • Pre-eclampsie: geeft versnelde uitrijping villi en erythroblastose, vaak gepaard met infarcering
  • Solutio placentae
  • Intra-uteriene infecties
  • Chronische histiocytaire intervillositis
  • Navelstrengproblemen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Terminale villus deficiëntie:

A
  • Intrinsiek onvermogen van placenta tot rijping
  • Minder efficiënte gaswisseling
  • Afstand tussen bloed groter
  • Geen vasculosynctitiële membranen rondom villi
  • Compensatie door hypermature villi en erythroblastose
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Opstijgende infecties:

A
  • Chorioamnionitis, funisitis (navelstreng)
  • Meest frequent
  • Bacterieel (soms gist, candida)
  • Geboortekanaal
  • Premature geboorte
  • PROM: premature rupture of membranes
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Hematogene (transplacentaire infecties):

A
  • Villiitis
  • TORCH complex
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Chronische histiocytaire intervillositis:

A
  • Histocytaire ontsteking tussen vlokken en met aantasting daarvan
  • Pathogenese onbekend
  • Herhalingsrisico > 80%
  • Hogere kans op IUGR of IUVD
  • Belangrijke overweging bij recidiverende miskramen
  • Vergelijkbaar iets bij COVID-19: deel van vlokken kapot gemaakt door macrofagen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Problemen geassocieerd met prematuriteit:

A
  • Hyaliene membranenziekte (RDS):
  • Bronchopulmonale dysplasie
  • Necrotiserende enterocolitis
  • Retinopathie
  • Germinale matrix en intraventriculaire hersenbloedingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

RDS:

A
  • Meest voorkomend
  • Door onvoldoende surfactant
  • Productie wordt gestimuleerd door corticosteroïden, behandeling hiermee of door surfactant inhalatie
  • Histopathologisch: eosinofiele hyaliene membranen in de alveoli
  • Predispositie: sectio, maternale diabetes, man, tweeling
  • Complicaties: bronchopulmonale dysplasie, retinopathie (door hyperoxie tgv beademing)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Necrotiserende enterocolitis:

A
  • Terminale ileum en colon
  • 10% van neonaten onder 1500 gram
  • Pathogenese deels duidelijk, bijdragende factoren: darmischemie, bacteriële colonisatie en enterale voeding
  • Necrose, ulceratie, pneumatosis intestinalis (luchtvorming), leidend tot perforatie, peritonitis en sepsis
  • Predisponerende factoren: darmischemie, bacteriële kolonisatie en enterale voeding
  • Behandeling: vaak conservatief, maar 20-60% resectie
  • Mortaliteit 10-25%
  • Preventie door moedermelk
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Retinopathie prematuren

A

: meer prematuur betekent meer retinopathie, want retina ontwikkeling vindt plaats onder hypoxische omstandigheden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Sudden infant death syndroom

A

plotseling overlijden van kind onder 1 jaar (en niet in eerste week) waarvan oorzaak onopgehelderd blijft na grondig onderzoek, inclusief complete obductie, analyse van plaats van over lijden en review van klinische gegevens
 Enorm gedaald door back to sleep campagne

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Risicofactoren omgeving SIDS:

A
  • Buikslapen
  • Co-sleeping
  • Hyperthermie
  • Slapen op zacht oppervlak
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Risicofactoren kind SIDS:

A
  • Prematuren
  • Mannelijk geslacht
  • Meerlingen
  • SIDS bij broertje of zusje
  • Voorafgaande respiratoire infecties
  • Hersenstamafwijkingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Risicofactoren ouders SIDS:

A
  • Jonge maternale leeftijd
  • Roken en drugsgebruik ouders
  • Weinig of geen perinatale zorg
  • Lage socio-economische status
  • Kinderen kort op elkaar geboren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Verschillen in geneesmiddelmetabolisme:

A
  • Absorptie
  • Distributie
  • Metabolisme (fase I en II)
  • Uitscheiding
  • Genetische verschillen
  • Invloed van ziekte
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Absorptie:

A
  • Bioavailability  geabsorbeerde fractie
  • Absorptiesnelheid: meeste geneesmiddelen door passieve diffusie in het duodenum
  • Afhankelijk van geneesmiddelkarakteristieken: dissociatie zuur/base, oplossing waar het inzit, disintegratie en dissolutie van vaste vorm
  • Verandering mn neonataal tot vroeg kind: zuurgraad, enzymactiviteit, darm, first-pass uptake
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Verandering absorptie neonaten:

A
  • De pH van maag is in eerste levensmaanden hoger: zuurlabiele medicamenten hebben verhoogde opname (penicilline, erythromycine), zwakke organische zuren hebben lagere opname (fenobarbital, fenytoine)
  • Neonaten hebben vertraagde maagpassage tot 6-8 maanden: dit geeft verlaagde opname van slecht wateroplosbare geneesmiddelen (fenytoine, carbamazepine)
  • Voor een neonaat is de darmpassage vertraagd, voor een peuter juist versneld
  • Darmfunctie: pH wordt gebufferd door frequente voeding, first-pass uptake door lever is vertraagd, darmflora is anders
  • Neonaten hebben minder metaboliserende enzymen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Bioavailability bij kinderen verhoogd door:

A
  • Zuurlabiele stoffen
  • Snelle maagontlediging (ouder kind)
  • Oplossing in vloeistof
  • Opp. Duodenum / body mass
  • Verminderde efflux transporters
  • Verminderde CYP enzymen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Bioavailability bij kinderen verlaagd door:

A
  • Zwakke organische zuren
  • Vertraagde maagontlediging
  • Gastro-oesofageale reflux
  • First-pass (vooral bij zuigelingen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Lokaal toegepaste middelen geven … systemische bijwerkingen bij kinderen:

A

Omdat het huidoppervlak van een kind relatief groter is dan bij volwassenen, waardoor de bloedspiegel van het middel hoger is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Distributie is afhankelijk van

A

lichaamssamenstelling en eiwitbinding. Kinderen hebben verhoudingsgewijs meer water en minder vet dan volwassenen. Er is dus groter verdelingsvolume voor wateroplosbare geneesmiddelen, en kleiner voor vetoplosbare geneesmiddelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Metabolisme:

A
  • Wateroplosbare geneesmiddelen worden onveranderd gemetaboliseerd via de nier
  • Non-polaire vetoplosbare geneesmiddelen worden door fase 1 reactie wateroplosbaar gemaakt, en door fase 2 polair
  • Beïnvloed door 4 dingen: kinderen hebben minder CYP450, genetische polymofismen, effect van ziekte op metabolisme en comedicatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Eliminatie:

A
  • In de eerste maanden is er lagere nierfunctie
  • Bij <1 jaar moet er lager gedoseerd worden, daarna even snel als volwassenen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Specifieke bijwerkingen bij kinderen:

A
  • Tetracyclines: verkleuring van tanden
  • Ciprofloxacine: gewrichtsschade
  • Antihistaminica: hogere kans op wiegendood
  • Metoclopramide: extrapiramidale verschijnselen (neuro/motorisch)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Intra-uteriene groei afhankelijk van:

A
  • Maternale factoren
  • Foetale factoren
  • Functie placenta
  • Insuline-achtige groeifactor-1 en IGF-2: beïnvloed door voeding en insuline
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Groei in het 1e levensjaar:

A
  • Zeer snelle groei
  • 50 cm  75 cm
  • 3,5 kg  10 kg
  • Voeding speelt hierbij belangrijke rol
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Groei na 1e jaar:

A
  • Groeisnelheid neemt af
  • Grote rol voor hormonen
  • Naast een belangrijke rol voor: genen, gezondheid, voeding en omgeving
  • 80% wordt genetisch bepaald
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Groei in de puberteit:

A
  • Groeispurt
  • Meer groeihormoonproductie door geslachtshormonen
  • Meisjes groeien 20-25 cm, piek rond stadium 3 (12 jaar)
  • Jongens groeien 25-30 cm, piek rond stadium 4 (14 jaar)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Groeischijf:

A
  • Lengtegroei vindt plaats aan uiteinde van lange pijpbotten
  • Proliferatie en hypertrofie kraakbeencellen + uitscheiding ECM door uitgerijpte kraakbeencellen  endochondrale ossificatie  lengtegroei
  • Beïnvloed door heel veel factoren: hormonen, genen, voeding, chronische ziekte, medicatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Te kleine of te grote lengte

A

lengte kleiner of groter dan 2 SDS voor leeftijd en geslacht, uitgaande van referentiepopulatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Interpretatie van groeicurve:

A
  • Streeflengte afhankelijk van: gemeten lengte biologische ouders, veel verschil tussen ouders, range is 1,6 SDS rondom streeflengte
  • Aparte groeicurves voor verschillende etniciteit
  • Hogere kans op pathologie bij: groei afbuiging of versnelling (>1 SDS), buiten 2 SDS, groot verschil met streeflengte (>1,6 SDS)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Primaire groeistoornissen (te klein):

A
  • Verstoorde regulatie groeischijf
  • Genmutaties: monogenetisch vaak milde dysmorfie, vaak gepaard met disproportie, bij dysmorfe kenmerken vaak chromosomale of epigenetische afwijkingen  vroege afbuiging met stabiele lengtegroei tot aan puberteit
  • SGA: geboorte zonder inhaalgroei
34
Q

Secundaire groeistoornissen (te klein):

A
  • Invloed van buiten op groeischijf
  • In eerste instantie normale groei, daarna afbuiging
  • Endocriene stoornissen, chronische ziekte, over/ondervoeding
35
Q

Idiopathische groeistoornissen (te klein):

A
  • Grootste groep
  • Familiair/ niet familiair
  • Onbekende origine
36
Q

Oorzaken secundaire groeistoornissen (te klein):

A
  • Endocriene stoornissen: hormoonuitval, overmaat aan cortisol
  • Chronische ziekte: hartafwijkingen, nierziekten, darmziekten
  • Iatrogeen: glucocorticoïden, bestraling
  • Emotionele deprivatie
  • Malnutritie
  • Aanvankelijke normale groei waarna afbuiging
37
Q

Groeistoornissen met dysmorfe kenmerken:

A
  • Turner syndroom
  • Prader-Willi syndroom
  • Silver-Russel syndroom: ook laag BMI, macrocefalie, clinodactylie etc
  • SHOX-gerelateerd: afwijkingen in pseudo-autosomale regio, geeft korte armen en benen, spierhypertrofie en Madelungse deformiteiten
38
Q

Groeihormoon zorgt voor:

A
  • Lengtegroei
  • Botdichtheid
  • Balans spier- en vetmassa
  • Cardiovasculaire gezondheid
39
Q

Groeihormoon deficiëntie kenmerken:

A
  • Kleine lengte met progressieve afbuiging
  • Vertraagde botrijping
  • Meer vet, minder spiermassa
40
Q

GH-IGF1-as:

A
  • Hypothalamus: somatostatine, GHRH
  • Hypofyse: groeihormoon
  • Lever: groeifactoren (IGF1 koppelt terug)
41
Q

Schildklierhormoon zorgt voor:

A
  • Lengtegroei
  • Hersengroei en ontwikkeling
  • Stofwisseling
42
Q

Te veel cortisol:

A
  • Cushing symptomen
  • Afbuigende lengtecurve met toename gewicht tot obesitas
  • Emotionele/gedragsporblemen, moeheid, spierzwakte
  • Komt door ACTH producerende tumor hypofyse, cortisol producerende tumor bijnier, vaker iatrogeen (prednison)
43
Q

Chronische ziekte groeiremming door:

A
  • Chronische inflammatie met productie cytokinen
  • Ondervoeding
  • Gestoorde balans intake en verbruik
  • Gestoorde opname van voedingsstoffen
  • Hypercortisolisme (endogeen door stress of door steroïdgebruik)
44
Q

LO kleine lengte:

A
  • Lengte, gewicht, hoofdomtrek, tensie
  • Zithoogte, spanwijdte
  • Lengte ouders meten
  • Dysmorfe kenmerken
  • Evt puberteitsstadium
45
Q

Met X-hand wordt gekeken naar

A

botleeftijd: bij primair is botleeftijd conform kalenderleeftijd, bij secundair is dit jonger

46
Q

DD grote lengte:

A
  • Polygeen familiair grote lengte
  • Obesitas geïnduceerd
  • Constitutioneel snelle rijping
  • Monogenetische grote lengte
  • Hormonale overproductie
47
Q

Primaire groeistoornis grote lengte:

A
  • Klinefelter bij jongens, ook feminiene bouw
  • Marfan: hele lange vingers, autosomaal dominant, visusafwijkingen, hartafwijkingen
48
Q

Secundaire groeistoornis grote lengte:

A
  • Overgroei met meer hormoonproductie (gh, hyperthyreoïdie, pubertas praecox)
  • Overgroei met minder hormoonproductie (FSH, LH, oestrogeen)
  • Obesitas geeft vaak overgroei van +1SD
49
Q

Epifysiodese:

A
  • Beschadiging van de groeischijven
  • Lengte reductie van ca 7 cm bij jongens en 6 cm bij meisjes
  • Sterk afhankelijk van moment: bij jongens voor 14 jaar en bij meisjes voor 12,5 jaar
  • Bij voorspelde eindlengte van 205 cm jongens en 185 cm meisjes doorverwijzen
50
Q

Transplacentaire infectie verwekkers:

A

listeria monocytogenes, toxoplasmose, CMV
Opstijgende infectie verwekkers: GBS, e. coli, herpes simplex

51
Q

TORCHES

A

: toxoplasmose, other (HIV, parvo B19) rubella, cytomegalovirus, herpes simplex, syphilis
 Syfilis, HIV en hepatitis worden bij zwangere uitgesloten

52
Q

Congenitale CMV:

A
  • 0,2-1% pasgeborenen
  • Vaak asymptomatisch, symptomatische kinderen veel vaker restverschijnselen
  • Symptomen: prematuur, SGA, hepatosplenomegalie, petechiae, icterus, neurologische afwijkingen
  • Lab: trombocytopenie, geconjugeerde hyperbilirubinemie, verhoogde transaminasen
  • Diagnostiek: PCR urine en speeksel, als positief voor 21 dagen bewijzend voor congenitale infectie
  • Behandeling: ganciclovir, bij chorioretinitis en/of pneumonie
53
Q

Congenitale HSV:

A
  • HSV1 = labialis, HSV2= genitalis
  • HSV2 vaak asymptomatisch
  • Kinderen worden vaak het ziekst als moeder nog geen antistoffen heeft
  • Ernstiger bij neonaat want: geen antistoffen, hogere viral load
  • Skin eye mouth disease: alleen huid en slijmvliezen aangedaan
  • Gedissemineerde vorm: vaak week 1, huid, brein, pneumonie, sepsis beeld, hoge mortaliteit
  • CNS: 2-3 weken, meningitis of encephalitis beeld
  • Huid is niet altijd aangedaan!!
  • Diagnostiek: Tzanck test huidlaesie met multinucleaire reuscellen, tegenwoordig PCR kweek oropharynx
  • Behandeling: aciclovir
54
Q

Kenmerken TORCHES

A

dysmaturiteit, microcephalie, hepatosplenomegalie, icterus, anemie/trombocytopenie

55
Q

Conjunctivitis neonatorum:

A
  • Oorzaak: chlamydia trachomatis, n. gonorrhoeae
56
Q

Sepsis/meningitis klinisch beeld:

A
  • Kreunen
  • Slechte perifere circulatie / grauw
  • Temperatuurinstabiliteit
  • Apneus / bradycardiën
  • Convulsies
  • Weinig / niet actief (stil)
57
Q

Veel voorkomende verwekkers postnatale infecties:

A

beta-hemolytische streptokokken groep B, e. coli, listeria monocytogenes

58
Q

Early onset GBS:

A
  • verticale transmissie,
  • dag 0-6
  • kreunen, apneu, pneumonie, shock, sepsis, meningitis (25%)
59
Q

Late onset GBS:

A
  • Verticale en horizontale transmissie (hygiëne)
  • Na dag 7
  • Sepsis, veel vaker meningitis (75%)
60
Q

Risicofactoren infectie neonaat:

A
  • Dreigende vroeggeboorte
  • Lang gebroken vliezen
  • Tekenen infectie bij moeder
  • Zware maternale kolonisatie (UWI)
  • GBS-kolonisatie in eerdere zwangerschap
  • Eerder kind met early-onset sepsis
  • Preventie: maternale profylaxe, helpt alleen voor voorkomen early onset
61
Q

Morbiditeit infectie neonaat

A
  • Ernstig
  • Hydrocephalus
  • Epilepsie
62
Q

Transitie intra-uterien naar extra-uterien leven:

A
  • Ductus arteriosus/Botalli verdwijnt: shunt tussen a. pulmonalis en aorta
  • Ductus venosus verdwijnt: shunt tussen v. umbilicalis en v. cava inferior
  • Foramen ovale verdwijnt: shunt tussen linker en rechter atrium
  • Intra-uterien zijn umbilicale venen zuurstofrijk en is er hoge longweerstand
63
Q

Ongunstige anatomie kind:

A
  • Longblaasjes vallen makkelijk samen
  • Cardiale spierfunctie suboptimaal
  • Bloed-hersenbarrière kwetsbaar (hoger risico meningitis)
  • Meer urine die minder geconcentreerd is (hoger risico dehydratie)
  • Hoog metabolisme en hoog zuurstofverbruik
  • Verminderde werking stollingsfactoren
  • Fragiele cerebrale vaten
64
Q

Verschil luchtwegen:

A
  • Nauwe diameter luchtwegen  hogere luchtweerstand
  • Neusademhaling, grote tong
  • Als kind heel benauwd is gaat het headboppen, door m. sternocleidomastoïdeus
  • Bronchuswandstructuur anders: meer kraakbeer, premature cilia, minder glad spierweefsel  meer collaps en occulusie, minder sputum mobilisatie
  • Minder alveoli, kleinere luchtwegen  minder gaswisselingsoppervlak
  • Ribben meer kraakbeen, meer horizontaal  hogere compliantie, meer afhankelijk van diafragma
  • Diafragma minder type I vezels  snellere uitputting
65
Q

Verschil communicatie en interactie kind

A
  • Anamnese gericht op groei en ontwikkeling
  • Sterk leeftijdsafhankelijk
  • Familie/ouders
  • Non verbale communicatie
  • Volledig lichamelijk onderzoek
66
Q

Voordelen van moedermelk:

A
  • Minder maagdarminfecties
  • Minder middenoorontsteking
  • Minder luchtweginfecties
  • Minder overgewicht en diabetes op latere leeftijd
67
Q

Voordelen van moedermelk volgens PROBIT:

A
  • Minder infecties in eerste levensjaar
  • Minder wiegendood
  • Kleinere kans op eczeem
  • Minder IBD
  • Afname metabool syndroom
  • Minder obesitas
  • Betere hersenontwikkeling
  • Betere band tussen moeder en kind
  • Kosteneffectief
68
Q

Moedermelk bij prematuren:

A
  • Infecties minder
  • Sneller volledig enterale voeding
  • Minder necrotiserende enterocolitis
  • Minder heropnames na ontslag
  • Betere hersenontwikkeling
69
Q

Compositie van moedermelk:

A
  • Macro-(vetten eiwitten koolhydraten) en micronutriënten (vitamines, mineralen, zouten, spoorelementen)
  • Immunologische componenten
  • Groeifactoren, hormonen
  • Enzymen
  • Eiwitgehalte neemt af met zwangerschapsduur en tijd
  • Weinig vitamine K en D
70
Q

Suppletie bij borstvoeding:

A
  • Vitamine K
  • Vitamine D
  • Bij prematuur: fortifier
71
Q

Lactatieproces:

A
  1. Melkklieren: actief en passief transport van stoffen naar melk toe
  2. Opslag in alveoli
  3. Uitstroom via melkgangen
72
Q

Prolactine en oxytocine

A

Oxytocine werkt vooral voor toeschietreflex, prolactine voor melkproductie. Prolactine komt uit hypofyse voorkwab, oxytocine uit hypofyse achterkwab.

73
Q

Maternale complicaties borstvoeding:

A
  • Tepelkloven
  • Verstopping
  • Mastitis / abcedering
  • Vaak door onvoldoende techniek
  • Advies is ontlasten dus doorgaan met borstvoeding
74
Q

Stille ondervoeding aan de borst:

A
  • Vicieuze cirkel: minder drinken  minder energie  nog minder drinken
  • Kolven om intake in de gaten te houden
  • Bijvoeding
75
Q

Contra-indicaties borstvoeding:

A
  • Bij virale infecties gewoon doorgaan
  • Borstlaesies die kind kunnen besmetten
  • HIV met viral load
  • HTLV, hemorragische koortsen etc
  • Enkele psychofarmaca (lithium), sommige antidepressiva
  • Overmatig alcoholgebruik
  • Chemotherapeutica
  • Harddrugs en hoge dosis methadon
76
Q

Aanwijzingen EUG: vaginaal bloedverlies +:

A
  • Buikpijn heviger dan bij menstruatie
  • Afwijkend lichamelijk onderzoek: pijn palpatie buik, slingerpijn bij VT, peritoneale prikkeling
  • Risicofactoren: PID, operatie aan uterus, eerdere EUG
  • Bedreigde circulatie
77
Q

Oorzaken neonatale sterfte:

A
  • Prematuriteit
  • Infecties
  • Complicaties tijdens bevalling
  • Aangeboren afwijking
78
Q

Gevolgen van prematuriteit:

A
  • Infecties
  • Sepsis
  • Bronchopulmonale dysplasie
  • Premature retinopathie
79
Q

Bronchopulmonale dysplasie:

A
  • Ontstaat bij 40% vd prematuren
  • Oorzaken:
    o Mechanische druk van beademing
    o Zuurstofradicalen
    o Infecties
  • Hoge mortaliteit
  • Risicofactoren: prematuriteit, roken tijdens zwangerschap, maternale hypertensie, laag geboortegewicht, geslacht
80
Q

Mortaliteit en morbiditeit bij prematuren is afhankelijk van:

A
  • Geboortegewicht
  • Geslacht
  • Toediening van antenatale corticosteroïden