Time Flashcards
It is a new day
Het is een nieuwe dag
It is time
Het is tijd
Which evening are we going
Op welke avond gaan wij
I walk in the morning
Ik loop in de ochtend
The mornings are cold
De ochtend zijn koud
In the afternoon we do not write
In de middag schrijven wij niet
I eat bread in the afternoon
Ik eet brood in de middag
The night is dark
De nacht is donker
Is it afternoon or morning
Is het middag of ochtend
Which day is it
Welke dag is het
The ducks go each evening
De eenden gaan iedere avond
I sleep every night
Ik slaap elke nacht
I have no time today
Ik heb vandaag geen tijd
I have no time this evening
Ik heb vanavond geen tijd
Her mother is not coming this afternoon
Haar moeder komt vanmiddag niet
She always has time in the morning
Zij heeft altijd tijd in de middag
Seventeen birds are coming to the Netherlands
Zeventien vogels komen naar Netherland
I always drink milk with my breakfast
Ik drink altijd melk bij mijn ontbijt
Do you have time tomorrow
Hebben jullie morgen tijd
Today or tomorrow
Vandaag of morgen
We are eating fish tonight
Wij eten vis vanavond
This evening she is not swimming
Vanavond zwemt zij niet
A friend for forever
Een vriend voor altijd
I have no bananas today
Ik heb geen bananen vandaag
Today I am drinking tea with milk
Vandaag drink ik thee met melk
Do you have time this afternoon
Heb jij vanmiddag tijd
The pig is always hungry
Het varken heeft altijd honger
I do not drink beer in the daytime
Ik drink overdag geen bier
It is eleven o’clock now
Het is nu elf uur
I am coming in forty five minutes
Ik kom over drie kwartier
The clock says what time it is
De klok zegt hoe laat het is
Do the animals sleep at night
Slapen de dieren’s nachts
It is two o’clock in the afternoon
Het is twee uur’s middags
What time is it now
Hoe laat is het nu
An hour and fifteen minutes
Een uur en een kwartier
It is six o’clock
Het is zes uur
Sorry I do not know what time it is
Sorry ik weet niet hoe laat het is
The clock does not work
De klok doet het niet
We are staying only fifteen minutes
We blijven maar een kwartier
The owl sleeps during the day
De uil slaapt overdag
It is warm during the day
Overdag is het warm
My parents are working until five o’clock in the afternoon
Mijn ouders werken tot vijf uur’s middags
We eat every day at six o’clock
We eten elke dag om zes uur
It is six twenty
Het is tien voor half zeven
It is six forty
Het is tien over half zeven
It is quarter past six
Het is kwart over zes
At twelve o’clock I am going home
Om twaalf uur ga ik naar huis
It is a quarter to seven
Het is kwart voor zeven
It is a quarter past two
Het is kwart over twee
See you tomorrow
Tot morgen
It is half past six
Het is half zeven
See you this evening
Tot vanavond
It is five forty
Het is twintig voor zes
How many minutes does an hour have
Hoeveel minuten heeft een uur
It is too late
Het is te laat
I eat five sandwiches per day
Ik eet vijf boterhammen per dag
I say it every time
Ik zeg het iedere keer
Eight minutes and fourteen seconds
Acht minuten en veertien seconden
I need a minute
Ik heb een minuut nodig
I always swim early in the morning
Ik zwem altijd vroeg in de ochtend
He is an early bird
Hij is een vroege vogel
Five times per second
Vijf keer per seconde
That is the second time
Dat is de tweede keer
I only need ten seconds
Ik heb maar tien seconden
Sorry we are late
Sorry we zijn laat
Sorry you are a second too late
Sorry je bent één seconde te laat
He sees us a few times
Hij ziet ons een paar keer
I work eight hours per day
Ik werk acht uur per dag
It is a good time for a glass of wine
Het is een goed moment voor een glas wijn
It rains for four hours
Het regent vier uur lang
It is later than you think
Het is later dan je denkt
Today is earlier than tomorrow
Vandaag is eerder dan morgen
It lasts until three o’clock in the morning
Het duurt tot drie uur in de ochtend
How long does it take
Hoeland duurt het
It does not take long
Het duurt niet lang
No later than nine o’clock in the evening
Niet later dan negen uur’s avond
See you later
Tot later
Why are you not coming sooner
Waarom kom je niet eerder
How long does that take
Hoelang duurt dat
That is an important moment for me
Dat is een belangrijk moment voor mij
How long are staying
Hoelang blijft u
At the moment I have no time
Op het moment heb ik geen tijd
Four thirty is earlier than five o’clock
Half vijf is eerder dan vijf uur
Are you staying here for long
Blijf je hier lang
Which evening are we going
Welke avond gaan wij/
Op welke avond gaan wij
He does not have time for breakfast
Hij heeft geen tijd voor ontbijt
He is eating pasta this afternoon
Hij eet pasta vanmiddag
Where is the clock
Waar is de klok
It is warm during the day
Overdag is het warm
See you this evening
Tot vanavond
At three thirty it is time for coffee
Om half vier is het tijd voor koffie
It is five minutes to eleven
Het is vijf minuten voor elf
He bikes twenty kilometers per hour
Hij fietst twintig kilometer per uur
Five times per second
Vijf keer per seconde
He is an early bird
Hij is een vroege vogel
I say it every time
Ik zeg het iedere keer
Why is he late
Waarom is hij late
He sees us a few times
Hij ziet ons een paar keer