Questions 2 Flashcards
Who are you with?
Met wie bent u?
Where are we?
Waar zijn we?
How does a bear swim?
Hoe zwemt een beer?
Why are all clothes pink?
Waarom zijn alle kleren roze?
Why do you have a duck?
Waarom heb jij een eend?
Why are you not going?
Waarom gaan jullie niet?
Who are you?
Wie ben je?
Who is the man with the big elephant?
Wie is de man met de grote olifant?
What is he eating?
Wat eet hij?
How do you know her?
Hoe kent u haar?
Who hears the animals?
Wie hoort de dieren?
Where is the boy?
Waar is de jongen?
Where does he sleep?
Waar slaapt hij?
Whose children?
Wiens kinderen?
How many shoes?
Hoeveel schoenen?
Which horse do I see?
Welk paard zie ik?
Which coat?
Welke jas?
When are you going?
Wanneer gaan jullie?
Which bag is yours?
Welke tas is van jou?
Which girl?
Welk meisje?
With which child is she playing
Met welk kind speelt ze?
What are you doing
Wat doe je?
Do I hear a question?
Hoor Ik een vraag
I have a few questions
Ik heb een paar vragen
I do not have an answer, sorry
Ik hen geen antwoord, sorry
She sometimes asks good questions
Ze stelt soms goede vragen
I do not ask the question
Ik stel de vraag niet
When are you doing that?
Wanneer doen ze dat?
When are they doing that?
Wanneer doen ze/zij dat?
Who am I speaking with?
Met wie spreek ik?
When do I get new shoes?
Wanner krijg ik nieuwn schoenen?
Do you like dresses?
Houd je van jurken?