Prep. 1 Flashcards
We do not live in the Netherlands
Wij wonen niet in Nederland
You have soup on your sweater
Je hebt soep op je trui
The cat is sleeping on your coat
De kat slaapt op je jas
We walk to your house
We lopen naar jouw huis
We want cheese on our sandwiches
We willen kaas op onze boterhammen
The family lives in an old house
Het gezin woont in een oud huis
The turtle is swimming towards its baby
De schildpad zwemt naar zijn baby
I live in the Netherlands
Ik woon in Nederland
The bread is for the duck
Het brood is voor de eend
She is walking beside her wife
Ze loopt naast haar vrouw
My husband is in Belgium
Mijn man is in België
You are cooking for me
Je kookt voor mij
Thanks for everything
Bedankt voor alles
I come from Belgium
Ik kom uit België
We live in Belgium
We wonen in België
She is with a friend
Zij is met een vriend
The girl lives next to us
Het meisje woont naast ons
I see a banana between the vegetables
Ik zie een banaan tussen de groente
The dog sleeps between the children
De hond slaapt tussen de kinderen
You get the cats from me
Jij krijgt de katten van mij
He is with her
Hij is bij haar
I am getting the newspaper from him
Ik krijg de krant van hem
The children play after breakfast
De kinderen spelen na het ontbijt
I hear something under the house
Ik hoor iets onder het huis
The mouse walks over the table
De muis loopt over de tafel
My dog is sleeping under the table
Mijn hond slaapt onder de tafel
I am wearing a coat over my shirt
Ik draag een jas over mijn hemd
He wears a sweater under his coat
Hij draagt een trui onder zijn jas
He walks over the newspapers
Hij loopt over de kranten
The turtles swim through the water
De schildpadden zwemmen door het water
The tables are large enough for us
De tafels zijn groot genoeg voor ons
I drink water during the meal
Ik drink water tijdens de maaltijd
No, I am not playing against you
Nee, ik speel niet tegen jullie
He is reading the newspaper during dinner
Hij leest de krant tijdens het avondeten
The children are playing against the men
De kinderen spelen tegen de mannen
They are not swimming because of the cold water
Ze zwemmen niet vanwege het koude water
I am not going because of the dog
Ik ga niet vanwege de hond
We are not going to the Netherlands
Wij gaan niet naar Netherland
Next to the house children are playing
Naast het huis spelen kinderen
I am fine thank you
Met mij gaat het goed bedankt
I do not have it with me
Ik heb het niet bij
Sometimes he plays with us
Soms speelt hij met ons
The men need beer
De mannen hebben bier nodig
The boys do not need you
De jongens hebben je niet nodig
Perhaps you know that
Misschien weet jij dat
They tell me yes
Ze zeggen mij ja