Leçon 5: Le patient doit passer des examens Flashcards
de patiënt moet onderzoeken ondergaan
le patient doit passer des examens
de benedenverdieping
le rez-de-chaussee
een straal
un rayon
de zon
le soleil
de bloes
la blouse
de beha
le soutien-gorge
vertrekken
partir
leven
vivre
opengaan
s’ouvrir
zorgen voor
s’occuper de
zich uitkleden
se déshabiller
braakneigingen hebben
avoir des nausées
onder de scanner gaan
passer un scanner
een NMR ondergaan
passer une RMN
NMR
nuclear magnetic resonance
Résonance Magnétique Nucléaire
is het goed afgelopen?
cela s’est bien passé?
op bosklas gaan
partir en classe verte
het spijt me
je suis desolé
een bloedafname
een bloedproef
une prise de sang
de mouw
la manche
een naald
aiguille
het bloed
le sang
een knevelverband
un garrot
een ader
une veine
een pipet
zuigbuisje
une pipette
opstropen
(de mouw, een kledingstuk)
retrousser
flauwvallen
s’évanouir
voelen
sentir
plaatsen
mettre
aanspannen
serrer
een staal nemen
prélever un échantillon
nodig
noodzakelijk
nécessaire
rustig
tranquille
nuchter zijn
être a jeun
bij het zien van
à la vue de
iets anders
autre chose
het is beter om
mieux vaut
pijn doen
faire mal