Dutch Level 1 Unit 1 all vocab Flashcards
de
de
politieagent
politieagent
drinken
drinken
rij
rij
drinkt
drinkt
rode
rode
een
een
rood
rood
eet
eet
schrijf
schrijf
eten
eten
u
u
hallo
hallo
vissen
vissen
het
het
wij
wij
hij
hij
wit
wit
jongen
jongen
witte
witte
jongens
jongens
zijn
zijn
koken
koken
zon
zon
kookt
kookt
zwart
zwart
leest
leest
bed
bed
lezen
lezen
bedden
bedden
man
man
bloes
bloes
mannen
mannen
bomen
bomen
meisje
meisje
bord
bord
meisjes
meisjes
borden
borden
rennen
rennen
broek
broek
rent
rent
draag
draag
schrijft
schrijft
draagt
draagt
schrijven
schrijven
dragen
dragen
vrouw
vrouw
drie
drie
vrouwen
vrouwen
één
één
zij
zij
er
er
zwemmen
zwemmen
hoed
hoed
zwemt
zwemt
hoeden
hoeden
tot ziens
tot ziens
hoeveel
hoeveel
appel
appel
honden
honden
auto
auto
jas
jas
boek
boek
jurk
jurk
boeken
boeken
kom
kom
brood
brood
kommen
kommen
broodje
broodje
koop
koop
broodjes
broodjes
koopt
koopt
dit
dit
kopje
kopje
ei
ei
kopjes
kopjes
en
en
kranten
kranten
fiets
fiets
leerlingen
leerlingen
geen
geen
mobiele
mobiele
hebben
hebben
overhemd
overhemd
heeft
heeft
politieagenten
politieagenten
hond
hond
rok
rok
is
is
schoenen
schoenen
ja
ja
sleutels
sleutels
kat
kat
stoelen
stoelen
kind
kind
tafel
tafel
kinderen
kinderen
tafels
tafels
koffie
koffie
telefoon
telefoon
krant
krant
telefoons
telefoons
loopt
loopt
T-shirt
T-shirt
lopen
lopen
T-shirts
T-shirts
melk
melk
twee
twee
nee
nee
vier
vier
niet
niet
vijf
vijf
paard
paard
wie
wie
pen
pen
zes
zes
rijdt
rijdt
lees
lees
rijst
rijst
slaapt
slaapt
slapen
slapen
vis
vis
volwassene
volwassene
volwassenen
volwassenen
wat
wat
water
water
appels
appels
auto’s
auto’s
bal
bal
ballen
ballen
ben
ben
bent
bent
blauw
blauw
blauwe
blauwe
bloem
bloem
bloemen
bloemen
boom
boom
doet
doet
dokter
dokter
drink
drink
eieren
eieren
fietsen
fietsen
geel
geel
gele
gele
gras
gras
groen
groen
groene
groene
groot
groot
heb
heb
ik
ik
katten
katten
klein
klein
leerling
leerling
leraar
leraar
lerares
lerares
lucht
lucht
maan
maan
paarden
paarden
pennen
pennen