A5 Flashcards

1
Q

omschrijf De relatie tussen een organisatie en haar omgeving en noem 2 voorbeelden hiervan.

A

Een organisatie staat rechtsstreeks contact met de omgeving. De economie, de bevolkingsopbouw en het politieke klimaat. Deze omgevingen hebben een sterke invloed op de organisatie.

Voorbeelden:
1. Als het loonpeil in de regio waar je zit hoog is, heeft dat effect op de verkoopprijs van het product. De verkooppijs ligt anders in lagelonenlanden. (economie)

  1. Een organisatie die schepen bouwt maakt het veel uit waar je zit. Sowieso is het handig om het bouwen van schepen naast de zee te doen. En het feit of je in Afrika of Rotterdam zit maakt ook uit voor het milieu of andere wettelijke eisen waar je aan moet voldoen. (bevolkingsopbouw)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Noem de 3 schillen van het drie schillen-model van Stoner en Freeman

A

De 3 schillen:
1. Interne belanghebbende
2. Externe belanghebbende
3. Indirecte omgeving: DESTE(M)P

  1. De partijen die een direct belang bij de organisatie hebben, bijvoorbeeld werknemers, aandeelhouders, en de raad van bestuur.
  2. Partijen die geen onderdeel van de organisatie zijn, maar er wel een duidelijk belang bij hebben; we moeten dan denken aan concurrenten, klanten, leveranciers.
  3. De algemene omgevingsvariabelen die van invloed zijn op de organisatie, de zogeheten DESTEMP-variabelen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

welke 2 klasse belanghebbende kan je hebben in een organisatie ?

A

Een belanghebbende (stakeholder).

In een organisatie heb je 2 soorten belanghebbende: interne en extrene belanghebbende.

Interne belanghebbende:
- Werknemers
- Managers
- Aandeelhouders

Externe belanghebbende:
- Toeleverancies
- Maatschappij
- Overheid
- Crediteuren (leverancier)
- Klanten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Waar staat DESTE(M)P voor ?

(De DESTE(M)P-omgeving variabelen beschrijven en deze toepassen op een organisatie.)

A

Demografische variabelen:
1. Bevolkingsopbouw
2. Dichtheid
3. Geografische kenmerken en verschillen

Economische variabelen:
1. Financiele gegevens
2. Groeiperspectief
3. Machtsverhouding

Sociale variabelen:
1. Sociale trends
2. Normen en waarden
3. Leefstijl

Technologische variabelen:
1. Innovativiteit
2. Trends
3. Technischeproblemen

Ecologische variabelen:
1. Energie
2. Natuurbronnen
3. Afval

Markt en bedrijfstak variabelen:
1. Omvang van een markt
2. Hevigheid van de concurrent

Politieke variabelen:
1. Politieke plannen
2. Wetgeving
3. Subsidie regeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

wanneer pas je de DESTEP toe ?

A

Je voert deze analyse uit om te kijken Welke factoren uit de indirecte omgeving de organisatie beïnvloeden en om te kijken welke van deze factoren nu of in de toekomst kansen of bedreigingen voor de
organisatie kunnen vormen ?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly