4. Consumentengedrag Flashcards

1
Q

Consumentenmarkt

A

De consumentenmarkt bestaat uit alle individuen en huishoudens due goederen en diensten kopen voor persoonlijke consumptie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Stimulus-responsmodel

A

Het simpelste model voor het koopgedrag van de consument. Volgens dit model komen marketingstimuli (4p’s) en andere sterke krachten (economisch, politiek, cultureel) de black box van de consument binnen. Waar ze een bepaalde reactie veroorzaken, waarneembare reacties van de koper. Zoals een product of -merkkeuze.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Culturele factoren

A

Cultuur is het meest bepalende factor voor de wensen en het gedrag van het individu. Cultuur omvat elementaire waarden, percepties, voorkeuren en gedragingen die iemand leert in het gezin en andere belangrijke instituten. Subculturen zijn culturen binnen culturen met andere waarden en levensstijlen, een subcultuur kan berusten op allerlei factoren, van leeftijd tot afkomst. Mensen met verschillende culturele en subculturele kenmerken hebben andere productvoordeuren, daarom richten marketeers hun marketingprogramma’s op de speciale behoefte van verschillende groepen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Sociale factoren

A

Beïnvloeden het gedrag van de koper. De referentiegroepen, gezin, vrienden, beroepsverenigingen en sociale organisaties hebben veel invloed op merk- en productkeuze.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Persoonlijke factoren

A

Betreffen de leeftijd van de koper, zijn levensfase, beroep. economische omstandigheden, levensstijl, karakter en andere persoonlijke kenmerken. Deze factoren beïnvloeden zijn koopbeslissing.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Psychologische factoren

A

Motivatie, perceptie, leren en overtuigingen en attitudes. Deze factoren geven elk een ander perspectief op het functioneren van de koper.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

complex koopgedrag

A

Een hoge betrokkenheid, als er in hun ogen een groot verschil zit tussen de merken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Dissonantiereducerend koopgedrag

A

Wanneer er sprake is van een sterke betrokkenheid, terwijl consumenten weinig verschil zien tussen de producten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Gewoontekoopgedrag

A

Er is sprake van weinig betrokkenheid en weinig verschil tussen de merken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Variatiezoekend koopgedrag

A

Weinig betrokkenheid, maar sterk gepercipieerde verschillen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welk beslissingsproces doorloopt de koper?

A

Behoefteherkenning, informatieverzameling, afwegen van de alternatieven, koopbeslissing en gedrag na de koop. Marketing moer inzicht hebben in elke fase en de invloeden die inwerken op de koopbeslissing.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Behoefteherkenning

A

De consument wordt zich bewust van een probleem of behoefte die hij zou kunnen bevredigen door een product of dienst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Informatieverzameling

A

Als de consument deze behoefte eenmaal beseft, is hij gemotiveerd om meer informatie te verzamelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Alternatieven afwegen

A

Nu de consument informatie heeft gaat hij merken beoordelen en gaat van een consideration set, naar een choice set.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Koopbeslissing

A

Gaat over tot de aanschaf van het product.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Gedrag na de aankoop

A

De consument handelt op basis van (on)tevredenheid over het product.

17
Q

Proces van productadoptie

A

Bekendheid, interesse, evaluatie, probeeraankoop en adoptie.

18
Q

Bekendheid

A

De consument moet beseffen dat het product bestaat.

19
Q

Interesse

A

De consument vergaat informatie over het product.

20
Q

Evaluatiefase

A

Hij overweegt om het nieuwe product te kopen.

21
Q

Probeeraankoopfase

A

De consument probeert het product op kleine schaal.

22
Q

Adoptiefase

A

Besluit of het product volledig en met regelmaat gebruikt gaat worden.

23
Q

Bereidheid van mensen om nieuwe producten te kopen.

A

Verschilt sterk. Het karakter van de consument en de kenmerken van het product bepalen het tempo.

24
Q

5 categorieën van snelheden adoptie

A

Innovators, early adopters, early majority, late majority en laggards.

25
Q

Innovators

A

Bereid om riskante, nieuwe ideeën uit te proberen.

26
Q

early adopters

A

Zelden leiders, besluiten weloverwogen iets nieuws te proberen, voordat de doorsnee individuen dit doen.

27
Q

late majority

A

Probeert pas iets nieuws als de meeste mensen hier op over zijn gegaan.

28
Q

Laggards

A

Houden vast aan traditie en kopen pas iets nieuws als het bijna weer traditie wordt.

29
Q

Waarop richten aanbieders vooral hun focus?

A

Op early adopters en dan vooral op de opinieleiders onder hun.