2 De Kleding Flashcards
To put on
Aandoen
To put clothes on
Aantrekken
Present
Aanwezig
To stay behind
Achterblijven
Antisocial
Asociaal
Automatically
Automatisch
To answer
Beantwoorden
To judge / assess
Beoordelen
Certain / particular / specific
Bepaald
The profession
Het beroep
To exist
Bestaan
To order
Bestellen
The population
De bevolking
Within
Binnen
The page
De bladzijde / pagina
The blouse
De bloes
The trousers
De broek
The wedding
De bruiloft
Daily
Dagelijks
The part
Het deel
Single / a few / a couple
Enkel
Let me think
Even denken
Yellow
Geel
Striped
Gestreept
To dislike
Een Hekel hebben aan
The headache
De hoofdpijn
The coat
De jas
Yes indeed
Jawel
The dress
De jurk
The ticket
De kassabon
The regional costume
De klederdracht
The clothing
De kleding
Literal
Letterlijk
The size
De maat
To go with
Meegaan
The brand
Het merk
Fashionable
Modieus
The sleeve
De mouw
Good, neat
Net
To develop oneself
Zich ontwikkelen
Nonsense
Onzin
On time
Op tijd
In general
Over het algemeen
The shirt
Het overhemd
The suit
Het pak
The fitting room
De paskamer
To try on / to fit
Passen
The countryside
Het platteland
Exactly
Precies
To change to swap
Ruilen
The sock
De sok
The fabric
De stof
Tight
Strak
The region
De streek
To come back
Terugkomen
The sweater
De trui
Traditional
Traditioneel
Typical
Typisch
To take off
Uittrekken
This morning
Vanochtend
The sales woman
De verkoopster
The nurse
De verpleegster, verpleegkundige
After that
Vervolgens
Well-groomed
Verzorgd
Dirty
Vies
The weather
Het weer
Away
Weg
The scientist
De wetenschapper
White
Wit
Black
Zwart