1 De Dag Flashcards
To turn on
Aanzetten
The section/département
De afdeling
To lose weight
Afvallen
The washing up, the dishes
De afwas
The dishwasher
De afwasmachine
To wash up
Afwassen
To answer
Beantwoorden
The leg
Het been
To hang, drape, put wallpaper
Behangen
The cinema
De bioscoop
To bring
Brengen
To combine
Combineren
After that
Daarna
The same
Dezelfde / hetzelfde
To continue
Doorgaan
To continue working
Doorwerken
Busy
Druk / bezig
First
Eerst
Favourite
Favoriete
Fortunately/happy
Gelukkig
To run
Hardlopen
The head
Het hoofd
The household
Het huishouden
Every
Iedere
The canteen
De kantine
To prepare food
Klaarmaken
The age
De leeftijd
To empty
Leegmaken
Preferably
Het liefst
Lazy
Lui
The micro wave
De magnetron
To sing along
Meezingen
Immediatly
Meteen
Tired
Moe
To sew
Naaien
To be necessary
Nodig zijn
To tidy
Opruimen
To rise
Opstaan
During the day/by day
Overdag
To clean
Poetsen / schoonmaken
To repair
Reparen
The garbage
De rommel
Around
Rond, ongeveer
To paint
Schilderen
The muscle
De spier
To vacuum
Stofzuigen
To iron
Strijken
Against
Tegen
Nowadays
Tegenwoordig
In the end
Ten slotte
During
Tijdens
To work in the garden
Tuinieren
To unleash
Uitlaten
To go out
Uitgaan
To invite
Uitnodigen
The meeting
De vergadering
Past
Voorbij
The freezer
De vriezer
Free
Vrij
Early
Vroeg
Awake
Wakker
To do the laundry
De was doen
The cleaning woman
De werkster
The hospital
Het ziekenhuis
To care for
Zorgen voor
Heavy
Zwaar