Week 8 - intro kindergeneeskunde HC's Flashcards

1
Q

Wanneer spreek je van vroeggeboorte? En wanneer extreem prematuur?

A

< 37 weken
Extreem < 28

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is RDS

A

Respiratory distress syndromen komt voor bij vroeggeboren baby’s en wordt veroorzaakt door tekort surfactant (type 2 pneumocyten) waardoor longblaasjes niet goed opblazen en kunnen inklappen
Prenataal corticosteroiden moeder en postnataal surfactant inhalatie neonaat

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

complicaties RDS

A

bronchopulmonale dysplasie (BPD) en retinopathie van prematuriteit (ROP)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

risicofactoren complicaties bij pasgeborenen

A
  • vroeggeboorte
  • SGA (small for gestational age)
  • APGAR < 7
  • ernstige aangeboren afwijkingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Intra-uteriene infecties via vagina gebeuren vaker als?

A
  • voortijdige breuk van vliezen
  • verlies van cervicale barriere (verzwakte baarmoederhals)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Intra-uteriene infecties die voorkomen via vagina

A

GBS: normaal in vagina flora
E. coli: meestal afkomstig uit darmflora
HSV: vaak tijdens bevalling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

HSV

A

Kind meer kans op infectie als moeder nog niet eerder infectie door heeft gemaakt want dan heeft moeder geen antistoffen. Transmissie kan via geboortekanaal of bij primaire infectie kind

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Diagnostiek en behandeling HSV

A

diagnostiek: PCR oropharynx
behandeling: acyclovir

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

wanneer kunnen transplacentaire infecties gebeuren?

A
  • systemische infectie bij moeder
  • placentaire insufficientie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke infecties bij transplacentaire infecties

A
  • listeria monocytogenes
  • Toxoplasmose gondii
  • CMV
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

symptomen CMV bij kind

A
  • icterisch
  • onderhuidse bloedingen
  • kind oogt niet ziek
    vaak asymptomatisch
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

lab CMV

A
  • trombocytopenie
  • geconjugeerde hyperbilirubinemie
  • verhoogde transaminasen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

diagnostiek CMV

A

PCR urine en speeksel
detectie antistoffen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

wat komt vaak voor bij symptomatische CMV kinderen

A
  • slechtorendheid
  • neurologisch aangedaan
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

waardoor verloopt primaire infectie bij aanstaande moeder ernstiger bij neonaat?

A
  • geen antistoffen
  • hogere viral load
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Acroniem TORCHES

A

Toxoplasmose
Other (HIV, parvovirus B19)
Rubella
CMV
Herpes simplex virus
Syphylis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Kenmerken TORCHES

A
  • dysmaturiteit
  • microcephalie
  • hepatosplenomegalie
  • icterus
  • anemie/trombocytopenie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Conjuctivitis neonatorum

A
  • postnataal verworven infectie
  • Door chlamydia of gonorrhoe
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Sepsis en/of meningitis

A
  • postnataal verworven infectie
  • kreunen, slechte perifere circulatie, apnoes/bradycardie, temperatuurinstabiliteit, convulsies, niet actief
  • GBS, E.coli, evt listeria monocytogenes
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

risicofactoren GBS

A
  • vroeggeboorte < 37 weken
  • PROM (>24 uur)
  • tekenen infectie moeder
  • zware maternale kolonisatie = urineweginfectie
  • vrouwen met eerder kind met GBS
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

wat is perinataal

A

22 weken zwangerschap tot 28 dagen na geboorte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

wanneer spreken we van perinatale sterfte

A
  • doodgeboorte
  • sterfte AD 22 weken tot 28 dagen post partum en/of 500> gram en/of 25 cm kruin-hiellengte
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

oorzaken perinatale sterfte

A
  • prematuriteit
  • dysmaturiteit
  • aangeboren afwijkingen
  • placenta-afwijkingen
    infecties
  • lage APGAR
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

wat zijn de compensatie mechanismen die kunnen optreden bij placentapathologie

A
  • versnelde rijping
  • niet-fysiologische erythroblastosis
25
Q

chorio-amnionitis

A
  • opstijgende infecties
  • meestal bacterieel
  • kan leiden tot prematuriteit
  • kan ook leiden tot PROM (premature rupture of membranes)
26
Q

problemen geassocieerd met prematuriteit

A
  • RDS: respiratory distress syndrome
  • bronchopulmonale dysplasie
  • Necrotiserende enterocolitis
  • retinopathie van prematuriteit
  • germinale matrix en intraventriculaire hersenbloedingen
27
Q

klinische diagnose bronchopulmonale dysplasie (BPD)

A

O2-behoefte > 28 dagen
Histologie: vermindering alveoli met relatief onrijp beeld van longparenchym en grote simpele alveolaire structuren

28
Q

pathologie necrotiserende enterocolitis

A
  • onrijpheid darm
  • abnormale bacteriele kolonisatie
  • ischemie
  • enterale voeding (kunstmatige melk)
29
Q

Complicaties necrotiserende enterocolitis

A
  • necrose
  • ulceratie
  • pneumatosis intestinalis
    leidend tot perforatie, peritonitis en sepsis
30
Q

risicofactoren wiegendood

A
  • buikslapen
  • co-sleeping
  • hyperthermie (dekbedje)
  • slapen op zacht oppervlak
31
Q

risicofactoren van kind op wiegendood

A
  • prematuren
  • jongen
  • meerling
  • SIDS bij broertje/zusje
  • voorgaande respiratoire infecties
  • hersenstamafwijkingen
32
Q

Farmacokinetiek

A

Wat doet lichaam met geneesmiddel
ADME: absorptie, distributie, metabolisme, eliminatie

33
Q

Farmacodynamiek

A

wat doet geneesmiddel met lichaam

34
Q

veranderingen in absorptie van geneesmiddel van neonataal tot vroeg kind

A
  • Zuurgraad maag: begint op 7 en neemt in eerste levensmaanden af
  • Enzymactiviteit: metaboliserende enzymen bij foetus heel laag
  • vertraagde maatpassage tot 6-8 maanden
  • verlaagde darm peristaltiek bij neonaat en bij peuter versneld
  • first pass uptake vertraagd
35
Q

zuur labiele medicatie

A

opname meer bij neonaten doordat pH rond 7 ligt

36
Q

zwakke organische zuren medicatie

A

opname minder bij neonaten

37
Q

nadelen aan rectale absorptie

A
  • incomplete resorptie
  • wisselende resorptie
  • verlies via feces
38
Q

Hoe gaat rectale absorptie

A

via hemorrhoidale venen dus geen first pass uptake

39
Q

Wat is bioavailability

A

geabsorbeerde fractie

40
Q

Wat zorgt voor verhoogde bioavailability bij kinderen

A
  • zuurgraad als zuurlabiel
  • maagontlediging
  • oplossing in vloeistof
  • upp duodenum/body mass
  • lagere erflux transporters
  • minder CYP enzymen
41
Q

Wat zorgt voor verlaagde bioavailability bij kinderen?

A
  • zuurgraad
  • maagontlediging
  • GER
  • first-pass (zuigeling)
42
Q

Distributie

A

verdeling van medicijn in lichaam na opname in bloedbaan

43
Q

verschil distributie bij kinderen en volwassenen

A
  • kinderen hoger percentage lichaamswater hierdoor worden wateroplosbare middelen meer verdund
  • lager percentage lichaamsvet hierdoor blijven vetoplosbare middelen minder lang in vetweefsel opgeslagen
  • lagere eiwitbinding waardoor groter deel van geneesmiddel vrij in bloed kan circuleren
44
Q

metabolisme verandering

A

CYP3A zorgt voor metabolisme helft van medicatie. Enzymactiviteit neemt snel toe tijdens ontwikkeling, dus snel toenemende halfwaardetijd.

45
Q

uitscheiding geneesmiddel verandering

A

neonataal snel ontwikkelende nierfunctie, volwassenwaarde aan eind 1e levensjaar.

46
Q

welke hormonen belangrijk voor groei?

A
  • groeihormoon
  • schildklierhormoon
  • cortisol
47
Q

wanneer denk je aan pathologie bij groei van kinderen?

A
  • groeiaftuiging of versnelling (>1 SDS: herhaald gemeten)
  • Te kleine of te grote lengte (<-2 of > +2 SDS)
  • groot verschil met target height (> 1,6 SDS)
48
Q

primaire groeistoornis

A

probleem in groeischijf zelf door verstoorde regulatie groeischijf
bv Turner, Prader Willi, Silver-Russel

49
Q

secundaire groeistoornis

A

invloed van buitenaf op groeischijf en endocriene stoornissen kan door:
- endocrien
- chronische ziekte
- iatrogeen
- emotionele deprivatie
- malnutritie

50
Q

Cushing syndroom en groei

A

blootstelling aan te veel cortisol zorgt voor afbuigende lengtecurve met toename gewicht tot obesitas en andere klachten

51
Q

luchtwegen neonaat

A
  • neusademhaling door grote tong
  • diameter luchtwegen klein
  • Meer kraakbeen, premature clivia, minder glad spier
  • onrijpe alveoli, kleinere luchtwegen
  • ribben horizontaal en meer kraakbeen
  • diafragma horizontaal en minder type I vezels
52
Q

Effect van anatomie luchtwegen

A
  • verhoogde weerstand
  • verhoogde incidentie collaps
  • minder sputum mobilisatie
  • verlaagde oppervlakte gaswisseling
  • volledig afhankelijk diafragma bij ademhaling
53
Q

Colostrum

A

vroeg melk dat veel eiwit en immuunglobulines bevat, ook lactoferrine

54
Q

Advies aanvullingen moedermelk?

A
  • vitamine K (3 maanden)
  • Vitamine D (tot 4 jaar)
55
Q

prematuur advies aanvullingen moedermelk

A
  • extra eiwit
  • extra Ca
  • Extra P
56
Q

prolactine en oxyctocine

A

prolactine: hypofyse voorkwab > melkproductie
Oxytocine: hypofyse achterkwab > toeschietreflex

57
Q

contra-indicaties geven moedermelk

A
  • borstlaesies
  • TBC
  • varicella
  • HSV
58
Q

oorzaken vaginaal bloedverlies 32 weken

A
  • dreigende vroeggeboorte
  • placenta previa
  • solutie placentae