Week 10 HC Flashcards

1
Q

Wat is er afwijkend bij het hypoplastisch linker hart syndroom?

A
  • ernstige aortaklepstenose (bicuspide aortaklep)
  • atrium septum defect
  • hypoplasie van aorta
  • hypoplasie van linker ventrikel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn oorzaken van functionele achteruitgang bij hypoplastisch linker hart syndroom?

A
  • verminderde vulling kamers door:
    • abnormaal flowpatroon longslagader
    • afwijkende functie longslagader
    • verminderde diastolische functie kamer
  • energieverlies na fontanel traject
  • verminderde kamerfunctie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zijn lange termijn gevolgen van een univentriculair hart?

A
  • hartfalen en aritmieën
  • protein losing entropathy (PLE)
  • pulmonale anterioveneuze fistels (PAVF)
  • trombo-embolieën
  • renale dysfunctie
  • fontan-associated liver disease (FALD)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat betekend cyanose?

A

Cyanose = blauwe verkleuring van slijmvliezen, nagelbed, tong, lippend en huid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat kunnen oorzaken zijn van cyanose?

A
  • Aangeboren hartafwijkingen:
    • verkeerde aansluiting
    • intracardiale mening O2 rijk en O2 arm bloed
    • onvoldoende longdoorbloeding
  • pulmonale oorzaak:
    • onvoldoende ventilatie
    • onvoldoende functionerend longweefsel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke twee groepen cyanose heb je?

A
  1. centrale cyanose: arterieel bloed onderverzadigd met O2
    • cyanose van: slijmvliezen, tong, nagelbed
  2. perifere cyanose: arterieel bloed normaal O2-verzadiging + verhoogd O2 gebruik (extractie) in weefsel
    • blauwe, koude, aura
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Op basis van welke BMI waardes kan je obesitas bij kinderen indelen?

A

afkapgrenzen vanaf 3 jaar afhankelijk van: leeftijd, geslacht en etniciteit:

Graad 3 = BMI >40 volwassenen
Graad 2 = BMI >35 volwassenen
Graad1 = BMI >30 volwassenen
Overgewicht = BMI > 25 volwassen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn de oorzaken van obesitas bij kinderen?

A

Leptine resistentie

  1. mulitfactorieel: leefstijl + aanleg
    • voeding
    • beweeggedrag
    • sociale factoren
    • psychische factoren
    • erfelijkheid BMI gemiddeld 70%
  2. Biomedische factoren: biologisch systeem in lichaam is verstoord
    • medicatie: prednison, anti-epileptica
    • endocrien
    • hypothalamus schade: regelsysteem eetlust
    • genetisch:
      • afwijking in leptine receptor gen
        • syndromaal: gewicht toename als kind en kleine lengte
        • niet-syndromaal: gewicht toename in 1e jaar, normaal-lange lengte
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat zijn de (lange termijn) gevolgen van obesitas bij kinderen?

A
  • 50-90% cardiovasculair risicofactoren
    • hoge mortaliteit en morbiditeit op volwassen leeftijd
      * voorstadia cardiovasculaire risicofactoren/schade al bij kinderen aanwezig maar dan nog REVERSIBEL
  • lipiden, glucose, lever, slaapapnoe, verhoogde bloeddruk
  • comorbiditeit: diabetes, hypertensie, NASH
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is de behandeling van kinderen met obesitas?

A
  1. gecombineerde leefstijlinterventie:
    • succes grote variatie
    • succesvolle behandeling bij:
      - uitgegroeide kinderen = >5% gewichtsverlies
      • groeiende kinderen = gewicht stabilisatie
  2. farmacotherapie: beloningssysteem in balans, minder eetlust, tragere maagontlediging, meer insuline gevoeligheid
  3. bariatirische chirurgie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Tumoren op kinderleeftijd:
- prevalentie
- meest voorkomend
- groepen meest voorkomende soorten
- globale indeling
- genezingspercentage algemeen

A
  • prevalentie: 600/jaar (0,8%)
  • meest voorkomend: ALL (acute lymfatische leukemie)
  • groepen meest voorkomende soorten: blastoom (embryonaal weefsel), sarcoom (steunweefsel)
  • globale indeling: ⅓ solide tumoren, ⅓ hersentumoren, ⅓ hematologisch oncologie
  • genezingspercentage algemeen: 80%
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat kunnen oorzaken zijn van ontstaan tumoren op kinderleeftijd?

A
  • genetische afwijkingen
    • multipele hit model (Knudsen)
  • familiair: 10% (vooral hersenen en solide)
  • virale infectie (EBV)
  • straling
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

ALL:
- prevalentie
- piekleeftijd
- vormen
- overleving

A
  • prevalentie: 115 kinderen per jaar
  • piekleeftijd: kleutertijd en pubertijd
  • vormen:
    • B-ALL: 80%
    • T-ALL: 20%
  • overleving: 90-95%
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke symptomen kunnen voorkomen bij ALL?

A
  • bleek
  • bloedingsneiging
  • infectie
  • bospijn
  • algemene malaise
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welke bevinden bij LO kunnen voorkomen bij ALL?

A
  • hepatosplenomegalie
  • lymfadenopathie
  • bleekheid
  • patechien/ecchymosen
  • koorts/tachycardie
  • huid/testisinfiltratie
  • uitval hersenzenuwen
  • tandvlees hyperplasie/bloeding
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Hoe gaat de diagnostiek van ALL?

A
  • volledig bloedbeeld (VBB)
  • beenmergpunctie (LP) + onder microscoop bekijken
  • cytomorfologie
  • immunofenotypering
  • cytogenetica: karyotypering, PCR, Fish –> kijken belangrijke genetische afwijkingen waardoor is ontstaan
  • beeldvorming: verbreed mediastinum
    • Vooral voor behandeling!!
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waar wordt naar gekeken bij immunofenotypering voor ALL?

A

Cellen gelabeld met antistoffen tegen antigeen (CD-markers) = cluster van differentiatie
* verschillende rijpingsstadium van lymfocyten hebben andere CD-markers tot expressie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is de behandeling van ALL+ duur behandeling?

A
  • chemotherapie: IV en pillen
    + veel vocht in begin –> dode leukemiecellen uitplassen
  • ALL-together/interfant/ESPALL
  • zelden: bloedtransplantatie (SCT)

Duur behandeling: 2 jaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Welke complicaties/bijwerkingen kunnen ontstaan bij ALL behandeling?

A
  • infectie -> BELANGRIJK VANWEGE IMMUNO INCOMPETENT DOOR CHEMOP
  • alopecia
  • diabetes
  • trombose
  • trombopenie
  • convulsies
  • groeivertraging
  • osteoporose/osteonecrose
  • hypertensie
  • hartfalen
  • anemie
  • stollingsstoornissen
  • neuropathie
  • hersenbloeding/herseninfarct
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat kunnen lange termijn problemen zijn na ALL behandeling?

A
  • nierfunctie
  • leverfunctie
  • cardiale functie
  • bewegingsapparaat (osteoporose)
  • groei
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is een probleem met diagnostiek van vaatanomalieën?

A

±70% wordt in eerste instantie verkeerd gediagnosticeerd -> vertraging in juiste therapie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Op welke manier worden vaatanomalieën geclassificeerd + kenmerken per groep TENTAMEN

A

Biologische classificatie
1. vasculaire tumor:
- 90% = hemangiomen
- bij geboorte 50% hemangiomen pre-cursor lesie
- na geboorte ontstaan/groeien
- hemangioom fases: groei-plateau-regressie
- man:vrouw = 1:3

  1. vaatmalformatie: 0,3-0,5% van anomalieën
    • aanwezig bij geboorte, maar niet altijd zichtbaar
    • Lymfatisch, capillair, veneus of arterieel
    • proportionele groei, groeit met lichaam mee
    • geen spontane regressie
    • man:vrouw = 1:1
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Benigne vaattumoren:

Hemangioom
- incidentie totale bevolking
- risicogroepen
- locaties
- beloop TENTAMEN (ZIE PLAATJE HC)
- vormen
- behandeling
- complicaties

A
  • incidentie: 4-10%
  • risicogroepen:
    • meisjes
    • prematuren
    • tweelingen
  • locaties:
    • hoofd-nek: 60%
    • romp: 35%
    • extremiteiten: 15%
  • beloop: start NA geboorte met uniek groeipatroon in 3 fases:
    1. groei fase: disproportionele groei in 6-9 maanden
    2. stabiele fase
    3. spontane regressie
  • vormen:
    • superficieel
    • nodulair
    • diep
    • reticulair/abortieef
    • gecombineerd
  • behandeling: meestal onschuldig dus expectatief
  • complicaties: bij 25%
    • ulceratie, bloeding pijn
    • functionele problemen: ogen, oren, luchtwegen
    • cosmetisch
    • hart
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Als er complicaties zijn van een hemangioom wat is de therapie? (en hoevaak complicaties?

A

25% van de hemangiomen compliceert

behandeling -> beatblokkers (atenolol)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Met welke syndromen is een reticulair/abortieve vorm van hemangioom geassocieerd?

A
  • PHACES (Posterior fossa abnormalities, Hemangiomas, Arterial abnormalities, Cardiac anomalies, Eye abnormalities en Sternal cleft;)
  • LUMBAR (Lower body hemangioma and other cutaneous defects, Urogenital anomalies, Myelopathy, Bone deformities, Anorectal malformations/arterial anomalies en Renal anomalies)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat is een Kaposiform hemangio-endothelioom? Wat is het probleem voornamelijk? Wat is in het lab te zien?

Welke labafwijkingen gaan samen met een Kaposiform hemangio endothelioom

(= locally aggressive or borderline vascular tumor)

A
  • Erg grote tumor van endotheel
  • grootste probleem is dat er een anemie, hemolyse en trombocytopenie ontstaat. Er zijn dan veel transfusies nodig. De transfusies versterken echter het groeiproces, waardoor het Kasabach-Merritt syndroom kan ontstaan. Hieraan kan het kind overlijden
  • anemie, trombocytopenie, verhoogd D-dimeer en hypofibrinemie
  • coagulatieproblemen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat is een voorbeeld van een capillaire malformatie?

A
  • naevus flammeus
  • CMTC: cupis marmorata teleangiectacia congenita
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat is de behandeling van Naevus flammeus?

A

Lasertherapie: gerichte verhitting van verklaring gevende vaatjes –> vaatjes verschrompelen en dode cellen opgeruimd
- jonge huid: vaatjes makkelijke te bereiken
- om 2-4-8 weken
- 5-8 behandeling, tot plateau bereikt
- kinderen: ALTIJD ONDER NARCOSE

  • succes: >50% oplichting –> hoe kleiner lesie, hoe beter resultaat
  • risico:
    • depigmentatie
    • littekenvorming
29
Q

Welke klachten kunnen voorkomen bij een veneuze malformatie?

A
  • klachten bij:
    • afhangen
    • sporten
    • toename als warm is
  • fleboliet
  • geen trill
30
Q

Wat zijn voorbeelden van arterioveneuze vaatmalformatie?

A
  • Klippel-trenaunay syndroom
  • Sturge-weber syndroom
  • Proteus syndroom
31
Q

Wat zijn lymfatische malformatie? wat ziet men en wat zijn complicaties?

A

Bij lymfatische malformaties ziet men maculae en vesikels. Alle malformaties groeien exponentieel. Het beeld lijkt erg op waterwratjes. Complicaties van lymfoedeem (broedplaats voor infectie) zijn erysipelas en ulceraties

32
Q

Wat is de gouden standaard diagnostiek
bij vaatanomalieën? wat wordt ook gebruikt voor diagnostiek?

A

MRI is gouden standaard

Echo, rontgen, CT minder vaak

33
Q

Welke bijkomende verschijnselen kunnen voorkomen bij Sturge-Weber syndroom?

A
  • glaucoom
  • aangeboren wijnvlek
  • epilepsie op jonge leeftijd
34
Q

Wat betekend major congentiale afwijking + prevalentie?

A

Major congenitale afwijking = afwijking die levensbedreigend is, uitgebreide chirurgie vereist of een ernstige cosmetische effect heeft
- prevalentie: 2-3%

35
Q

Wat betekend minor congenitale afwijking + prevalentie?

A

Minor congenitale afwijking = afwijking die geen ernstige medische of cosmetische consequenties heeft
- prevalentie: 7%

36
Q

In welke zwangerschapsweek wordt de test gedaan, en welke zijn er allemaal? (7 testen)

A
  • NIPT: 11-14 weken
  • 1e trimester SEO: 12-13 weken
  • SEO: 18-22 weken
  • GUO 1: 18-22 weken
  • GUO 2: 8-40 weken
  • vlokkentest: 10-14 weken
  • vruchtwaterpunctie: 15-17 weken
37
Q

Welke redenen zijn er (en %) voor obductie?

A
  • ±50% na abortus
  • ±25% na intra-uteriene vruchtdood
    -±25% na neonaten/jonger dan 5 jaar
38
Q

Hoeveel % van major afwijkingen wordt gevonden bij prenatale diagnostiek? hoe wordt dit definitief vastgesteld?

A

±50% bij non-invasief
–> invasief onderzoek geeft zekerheid

39
Q

Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om kinderobductie uit te voeren?

A
  1. natuurlijke dood
  2. toestemming door nabestaande voor:
    - lichaamsobductie
    - schedelobductie
    - gebruik van materiaal voor onderwijs en onderzoek
40
Q

Welke handelingen worden uitgevoerd tijdens een obductie?

A
  • Uitwendige inspectie
  • Inwendige inspectie
  • controle anatomische verbindingen, meten en wegen
  • uitnemen organen en weefsels voor microscopie
  • afnemen weefsel voor aanvullend onderzoek
  • terugplaatsen organen: behalve hersenen
  • sluiten lichaam en schedel, aankleden
41
Q

Welke beeldvorming kan worden toegepast bij kinderobductie + wat zijn voordelen/nadelen hiervan?

A
  • Röntgenfoto: babygram
    • nadeel: alleen verbeende skeletdelen zichtbaar

MRI
* voordeel: alle structuren zichtbaar, vooral weke delen
* nadeel: resolutie niet optimaal + postmortale veranderingen moeilijk te interpreteren

42
Q

Correlatie tussen prenatale diagnostiek en obductie:
- hoeveel % bevestigd obductie bevinden bij prenatale diagnostiek
- hoeveel % heeft obductie toegevoegde informatie
- hoeveel % wordt bij obductie informatie uit prenatale diagnostiek niet bevestigd
- hoeveel % veranderd diagnose na obductie

A
  • hoeveel % bevestigd obductie bevinden bij prenatale diagnostiek: 68%
  • hoeveel % heeft obductie toegevoegde informatie: 22%
  • hoeveel % wordt bij obductie informatie uit prenatale diagnostiek niet bevestigd: 9%
  • hoeveel % veranderd diagnose na obductie: 3,8%
43
Q

Waar kunnen inborn errors of metabolisme in zitten (metabole ziektes)?
Welke organenen kunnen aangedaan zijn?

A
  • enzymen
  • membraan transporteiwitten
  • co-factoren –> activatoren, chaperons, ect

Alle organen, maar voornamelijk organen met metabole pathways -> hersenen, zenuwen, spieren, skelet, darm, pancreas, lever, ogen etc.

44
Q

Welke diagnostiek wordt gedaan bij verdenking metabole ziekte?

A

Urine -> zuurkristallen
Liquor -> Laag suiker

45
Q

Wat zijn eventuele behandelingen bij metabole ziekten? Welke preventie is mogelijk?

A

afh van ziektebeeld
- Dieetverandering
- Toxische stoffen wegvangen
- Acute metabole decompensatie
- Enzymvervangende therapie
- Gentherapie

Preventie
- hielprikscreening veel metabole ziekten!
- Pre conceptie counseling
- erfelijkheidsadvies van patienten

46
Q

Hoe worden stofwisselingsziektes ingedeeld?

A

Indeling op basis van substraat:

  1. Intermediare stofwisseling: tussenproduct
    • aminozuren, vetzuren, koolhydraten, purines, ATP-synthese, Vitamine, mineralen
  2. Stofwisseling van neurotransmitters:
    • glycine, serine, GABA, sulfieten, creatine biosynthese en transport, BH4 (tetrahydrobioterine)
  3. Synthese en afbraak van complexe moleculen
    • mucopolysacchariden, glycolipiden, sterolen, galzuren, glycoproteinen, lipoproteinen, nucleinezuren
      - organel-gepasseerde classificatie
47
Q

Wat is de functie van verschillende organellen + hoe is de organel gebaseerde classificatie?

A
  • Endoplasmatisch reticulum: biosynthese van secreta-eiwitten
    • Ig, insuline, hormonen
  • plasma membraan: transport en signaaltransductie
    • ionen, suikers, aminozuren, vetzuren
  • golgi apparaat: glycosylering en post-translationele modificatie eiwitten
  • mitochondriën: ATP-synthese, vetzuren, O2 radicalen
  • Peroxisomen: afbraak en synthese van lange-keten vetzuren (ZLKVZ), plasmalogenen, galzuren, H2O2
  • lysosomen: afbraak complexe suikers, glycolipide, sterolen, glycoproteinen
48
Q

Hoe gaat de classificatie van metabole ziektes die in de praktijk wordt gebruikt?

A

Op basis van biochemie

  • aminozuurmetabolisme
  • koolhydraatmetabolisme
  • vetzuurmetabolisme
  • lysosomale stapelingsziekte
  • mitochondriale stoornissen
  • peroxisomale stoornissen
49
Q

Wat is phenylketonurie (PKU)? Wat voor soort metabole ziekte is dit? Welke symptomen? Behandeling?

A

Een deficientie van fenylalanine-hydroxylase waardoor ophoping van toxisch fenylketonen ->

(= ziekte van intermediaire aminozuren metabolisme)

Symptomen (neurologisch vooral!)
- verstandelijke beperking
- epilepsie
- microcefalie
- cognitieve achteruitgang
- spasticiteit
- blond haar en lichte huid

Behandeling
- fenylalanine-arm dieet icm tyrosinesuppletie

50
Q

Waar moet men op letten bij PKU en zwangerschap?

A

Maternale ontregeling van PKU kan leiden tot congenitale afwijkingen (met name neurologisch).
Om dit te voorkomen strenge controle bij zwangerschap!

51
Q

Welke symptomen kunnen voorkomen bij mucopolysaccharidose? Wat voor soort ziekte? Wat is de oorzaak?

A

Stapeling van lange glucose ketens in verschillende organen defect van lysosomen.

(= lysosomale stapelingsziekte)

Symptomen
- uiterlijke dysmorfieën
- overbeharing
- macrocefalie
- groei/skelet afwijkingen
- organomegalie
- verandering uiterlijk in de tijd
- neurologische klachten

52
Q

Welke symptomen kunnen voorkomen bij de ziekte van Wellweger? Welke soort ziekte is dit, hoe ontstaat het?

A

(= peroxisomale ziekte),
peroxisomen niet goed functioneren of als er een gebrek aan is, zullen zeer lange keten vetzuren gaan stapelen

Symptomen
- progressieve spierslapte
- epilepsie
- niercyste
- skeletafwijkingen
- retinitis pigments
- atrofie oogzenuw
-hepatomegalie
- doofheid
- hersenaanlegstoornissen

53
Q

Wat voor soort ziekte is BH4 synthese defect? Wat zijn de gevolgen?

A

Een deficientie van Enzym- en of cofactor waardoor phenylalanine niet omgezet kan worden in tyrosine, vergelijkbaar met phenylketonurie.
Leidt tot neurologische klachten!

54
Q

Bij welke tekenen moet je denken aan een stofwisselingsziekte?

A
  1. problemen in groei en ontwikkeling
  2. progressieve klachten of achteruitgang
  3. familiegeschiedenis positief
  4. acute ontregeling/bewustzijnsdaling bij een eerder gezonde patient bij intercurrente infectie
  5. opvallende bevindingen bij lichamelijk onderzoek:
    • Uiterlijke kenmerken/dysmorfiën
    • Microcefalie/Macrocefalie
      - Groeistoornis/skeletafwijkingen
    • Organomegalie
    • Verandering van uiterlijke kenmerken in tijd
    • Neurologische achteruitgang
55
Q

Welke geur kan voorkomen bij de volgende ziektebeelden?
- phenylketonurie
- maple syrup urine disease (MSUD)
- isovaleriaanacidurie
- tryosinemia type 1
- trymethylaminuria

A
  • phenylketonurie: muis/mus
  • maple syrup urine disease (MSUD): ahornsiroop
  • isovaleriaanacidurie: zweetvoeten
  • tryosinemia type 1: kool, verzuurde boter
  • trymethylaminuria: rottende vis
56
Q

Op welke momenten kan een stofwisselingsziekte zich uiten? Geef voorbelenden
Welke afkorting gebruikt men bij LO van metabole ziektes?

A
  • voor geboorte: soms (hydrops foetalis)
  • na de geboorte: vaak
  • kinderleeftijd: vaak
  • volwassen leeftijd: soms (Alkaptonurie

MONGUV
* Micro- of macrocefalie;
* Organomegalie, dit is vaak typisch bij metabole ziekten!;
* Neurologische klachten:
* Groeistoornis/skeletafwijkingen;
* Uiterlijke dysmorfie;
* Verandering in uiterlijke kenmerken in de tijd.

57
Q

Wat is de ziekte van Menkes? Wat zijn de symptomen? Hoe erft het over?

A

Multiple enzymdeficientie

symptomen
- spierslapte
- epilepsie
- verlies oogcontact
- hyperlaxiteit van heid en gewrichten
- Haargroei afwijkend (kinky hair)

X-gebonden recessief overerving

58
Q

Wat is mitochondriale overerving? Waar uiten zich deze vooral? Hoe groot is de herhalingskans en kan het via vader of moeder?

A
  • Het mitochondrieel DNA wordt overgedragen vanuit de moeder, niet de vader!!.
  • De herhalingskans kan variëren van 0-100%, maar doorgaans hoger dan 50%.
  • Mitochondriale ziektes uiten zich vooral in orgaansystemen die veel energie nodig hebben (hersenen, spieren, ogen, lever, hart, colon, nieren, bloed, pancreas en oren.
59
Q

Wat is hydrops foetalis? Wat is de prognose?

A

Hydrops foetalis = oedeem in minimaal 2 compartimenten:
-pleura
- pericard
- abdomen
- navelstreng
- placenta
geassocieerd met:
- heptosplenomegalie
- ademhalingsisnsufficientie
- anemie
- hartfalen

prognose
50% van de kinderen met een hydrops foetalis overlijdt voor of kort na de geboorte.

60
Q

Hoe kan het beloop van stofwisselingsziektes zijn + vb per groep?

A
  1. Acute verschijnselen:
    • MCAAD: non-ketotische hypoglycaemie = zeer laag glucose in bloed en in urine GEEN ketonlichamen
  2. intermitterende verschijnselen: cruise optreden
    • Glutaar acidurie type 1 –> aanvallen bewegingsstoornis bij koorts
  3. Chronische progressieve verschijnselen (met regressie)
    • sneller op kinderleeftijd leeftijd –> knik in ontwikkeling
    • langzamer op volwassen leeftijd –> functie verlies/verslechtering
61
Q

Hoe komt het dan kinderren acute ontregelen bij MCADD?

A
  • jonge kinderen hebben fysiologische weinig glycogeen reserve
  • kan vetzuren niet afbreken om ATP vrij te maken
62
Q

Waar kan de therapie bij metabole ziekte op gericht zijn?

A
  • behandeling van acute metabole decompensatie
  • wegvangen toxische stoffen
  • Dieet aanpassingen:
    • verminderen van substraat
    • suppletie van essentieel stoffen
    • vitaminen
    • cofactoren
  • enzymvervangende therapie
  • gentherapie
63
Q

Hoeveel % van de zeldzame ziektes hebben een genetische oorzaak?
Wat is vooral een probleem bij zeldzame aandoeningen?

A

±80%
lang diagnostisch traject

64
Q

Wat zijn de categorieën van BMI? Wat is een probleem van BMI

A
  • Ondergewicht: BMI < 18.5;
  • Normaal gewicht: BMI 18.5-25;
  • Overgewicht: BMI 25-30;
  • Obesitas: BMI 30-35;
  • Morbide obesitas: BMI > 35.

BMI niet altijd te extrapoleren naar ongezond gewicht -> bodybuilders ook obees qua BMI, maar niet ongezond

65
Q

Wat is de oorzaak van obesitas? Wat is de prevalentie van kinderovergewicht en obesitas?

A

Obesitas is multifactorieel
* Voedselomgeving;
* Eetgedrag
* Beweeggedrag
* Slaap;
* Stress;
* Aanleg en genen
* Hormonen;
* Sociale en psychische factoren

15% kinderen overgewicht, 2-3% obesitas

66
Q

Voor hoeveel % is BMI genetisch bepaald gemiddeld?

A

BMI is voor gemiddeld 70% (30-90%) erfelijk bepaald

67
Q

Welke type obesitas heb je? Wat zijn de kenmerken daarvan?

A

Syndromaal: gewichtstoename vanaf de kinderleeftijd en meestal een kortere gestalte.

Niet-syndromaal: gewichtstoename in de eerste levensjaren te zien, waarbij de lengte niet afwijkend of zelfs langer is.

68
Q

Wat zijn de gevolgen van obesitas op kinderleeftijd? en op volwassen leeftijd?

A

50-90% heeft voorstadia van hypertensie, DM, dyslipidemie, gewrichtsklachten op kinderleeftijd

op volwassen leeftijd -> hogere mobiditeit en mortaliteit

69
Q

Waarom is vroeg ingrijpen bij kinderobesitas belangrijk? Welke therapie is vooral belangrijk?

A

In een vroeg stadium zijn de cardiovasculaire risicofactoren bij kinderen nog reversibel, wanneer er gewichtsreductie plaatsvindt. Hierdoor is preventie en behandeling van obesitas op kinderleeftijd belangrijk.

behandeling -gecombineerde leefstijlinterventie, evt medicamenteus met GLP-1 agonisten