Unité 16 (seize) Flashcards
une adresse
een adres
un appartement
een appartement
une avenue [av.]
een laan
un étage
een verdieping
une gare
een (trein)station
un métro
een metro
un numéro [nº]
een nummer
une place
een plein
une rue
een straat
une station (de métro)
een (metro)station
habiter
wonen, bewonen
visiter
bezoeken
demain
morgen
Quelle est l’adresse ?
Wat is het adres?
en métro
met de metro
en voiture
met de auto
dans la rue
in de straat, op straat
sur l’avenue
op de laan
au premier étage
op de eerste verdieping
C’est loin.
Het is ver.
loin de la gare
ver van het station
près de la place
dicht bij het plein
jusqu’à la station
tot aan het station
Het werkwoord aller (gaan)
Je vais à Paris.
Tu vas en train.
Il va chez toi.
Elle va à Lille.
Nous allons chez nous.
Vous allez vite.
Ils vont en métro.
Elles vont à Namur.
om te zeggen waarheen je gaat of hoe je je verplaatst
Ik ga naar Parijs.
Jij gaat met de trein.
Hij gaat naar je thuis.
Zij gaat naar Rijsel.
Wij gaan naar ons thuis.
Jullie gaan snel.
Zij gaan met de metro.
Zij gaan naar Namen.
Het werkwoord aller (gaan)
Je vais chanter une chanson.
Tu vas écouter ton copain.
Il va raconter une histoire.
Elle va arriver.
Nous allons changer à Bruxelles.
Vous allez écouter le professeur.
Ils vont habiter ici.
Elles vont être là.
om uit te drukken wat je meteen zal doen (ik ga … , ik zal so meteen)
Ik ga …
Jij gaat …
Hij gaat …
Zij gaat …
Wij gaan …
Jullie gaan …
Zij gaan …
Zij gaan …