Unité 12 (douze) Flashcards
un blouson
een jekker, windjack
une chemise
een hemd
une jupe
een rok
un pantalon
een (lange) broek
un pull / pull-over
een trui
des vêtements
kleding, kleren
tout le monde
iedereen
pour chanter
om te zingen
aimer (les livres)
van (boeken) houden
aimer (chanter)
graag (zingen)
chanter
zingen
porter
dragen, aanhebben
ne…jamais
nooit
parfois
soms
souvent
dikwijls, vaak
toujours
altijd, steeds
un blouson blanc
une blouse blanche
wit
un pantalon noir
une jupe noire
zwart
une blouse
een blouse
un polo
een polo
un jeans
een jeans
un sweat-shirt
een sweat-shirt
un jogging
een jogging
un T-shirt
een T-shirt
Het werkwoord op -ER
Je chante
chanter
ik zing
Het werkwoord op -ER
Tu chantes
chanter
Jij zingt
Het werkwoord op -ER
Il chante
chanter
Hij zingt
Het werkwoord op -ER
Elle chante
chanter
Zij zingt
Het werkwoord op -ER
Nous chantons
chanter
Wij zingen
Het werkwoord op -ER
Vous chantez
chanter
Jullie zingen
Het werkwoord op -ER
Ils chantent
chanter
Zij zingen
Het werkwoord op -ER
Elles chantent
chanter
Zij zingen
Het werkwoord op -ER
aimer
J’aime ma chambre.
Tu aimes ton chien.
Il aime ma sœur.
Elle aime ton frère.
Nous aimons les livres.
Vous aimez le cadeau.
Ils aiment les jeux.
Elles aiment les visites.
Het werkwoord op -ER
porter
Je porte un sweat-shirt.
Tu portes une chemise.
Il porte un jeans.
Elle porte une blouse.
Nous portons des pulls.
Vous portez des joggings.
Ils portent des pantalons.
Elles portent des jupes.
Een bevel geven
zing!
aan één persoon
chante!
Een bevel geven
zing!
aan meer dan één persoon
chantez!
Tom aime les chansons.
Tom houdt van liedjes.
J’aime porter un polo.
Ik draag graag een polohemd.
Tu n’aimes pas chanter ?
Zing je niet graag?