opmaat - week 6 Flashcards
CK
mate van spierverval
Aanvraag labwaarden
- Bedenk van tevoren indicatie + consequentie
- Denk goed na over timing en frequentie
- Streef naar gerichte aanvragen, tenzij context daarom vraagt
Interpretatie:
- Bepaal urgentie afwijkingen
- Beschouw klinische correlatie en context patiënt
- Streef naar interpretatie op basis van mechanisme/pathofysiologie
wat geven bij longontsteking
amoxicilline, vooral gram pos dekking
Indicaties lab
- Diagnostiek
- Monitoren
- Prognose bepalen
- Beleidsconsequenties bepalen mbv bovenstaanden
Kruisbloed
antistofbepaling. Blijft aantal maanden geldig, dan weer opnieuw getest
Bij bekend bloedverlies maar zwakte welke labtest inzetten
hb en kruisbloed bepalen
Buiklab
leverfunctie (ALAT/ASAT, gamma GT, AF, bilirubine), pancreasfunctie (lipase, normaal onder 180)
Oudere met delier en kreunen palpatie buik welk lab inzetten
algemeen intern lab heel breed inzetten met buiklab, leukos, CRP etc
verschil alat en asat
Leverspecifiek is alat – zegt iets over levercellen. Asat zegt iets over mitochondrien, kan ook verhoogd zijn bij spierverval
Vuistregel bloedkweken
Initieel 2 sets bloedkweken (3 bij endocarditis)
Timing:
* Altijd voor start antibiotica
* Geen reden tot afname specifiek bij koortspiek
* Frequentie: binnen 48-72 uur na start antibiotica geen nieuwe kweken tenzij
verdenking nieuwe infectie.
Frequentie labonderzoek
- Klinisch 2-3x perweek tenzij urgente/ernstige labafwijkingen
- Poliklinisch: afhankelijk van situatie
Interpretatie lab stappen
1: urgentiebepaling
2: klinische correlatie/context
3: mechanisme en pathofysiologie
Beste manier om nierfunctie te bepalen:
eGFR bepaalt hoeveel afvalstoffen nieren filteren per tijdseenheid. Kan met kreatinine en eventueel met ureum. Maar in bepaalde situaties volstaat alleen de ureumwaarde.
eGFR/MDRD bevat welke onderdelen in de formule:
kreat, leeftijd, geslacht. E staat voor estimated, is een schatting, niet zo goed in goede nierfunctie (daarom >60ml/min)
normale nierfunctiewaarden
normale nierfunctie begint bij 120, op zijn best rond 18, vanaf 40 daalt het met 1 ml/min per jaar
waarmee hangt kreat samne
kreat is hoger naarmate spiermassa/leeftijd hoger is
DM nefropathie urinewaarden
veel eiwit, weinig hemoglobine in urine
effect hydrochloorthiazide op bloeduitslagen
hydrochloorthiazide remt na/cl cotransport in distale tubulus. Hyponatrium is dan logisch, mogelijk staken. Echter wel handig om te controleren
laag mcv laag reti
fe gebrek/chronische ziekte
laag mcv hoog reti
hb pathie
normaal mcv laag reti
bm aplasie/infiltratie/nierinsufficientie
normaal mcv hoog reti of hoog mcv hoog reti
Hemolytische anemie
hoog mcv laag reti
vit b12/foliumzuur/hypothyreoidie/leverafwijking
anemie meten AANVULLEN TBL
tekort aan bouwstenen, beenmerg AANVULLEN
afbraak
verlies
Trombocyten
bloedingsneiging
Leukocyten
afweer. met koorts = ontsteking
Neutrofiele granulocyten:
kan hoog bij chemo, ernstige infectie, infecties,
myelodysplastisch syndroom, pernicieuze anemie, hypersplenisme, bij gebruik van bepaalde
medicijnen, na bestraling en soms bij acute leukemie
Staafkernige granulocyten
hoog bij ontsteking
Basofielen
verhoging is chronische leukemie
Monocyten
zelfde als monocyten/neutrofiele granulocyten; infectie
Lymfocyten
kan hoog door chemo of samen met koorts infectei
waarop wijst een linksverschuiving
bacteriele infectie
verklaring voor laag aantal thrombocyten
verlaagde aanmaak: in beenmerg
Beenmerg insufficiëntie bijvoorbeeld myelofibrose
Lever ziekten: locatie van TPO (thrombopoietin) productie. Voornaamste
hematopoietische groeifactor. Bij afname productie van TPO verschillende
hematopoitische cel lineages aangetast waaronder trombocyten aanmaak.
o Verhoogde consumptie/verhoogde afbraak: normaal afbraak in lever en milt
Autoimmuun neutropenie
Intravasculare coagulatie, thrombocytopenic purpura (TTP)
Sommige medicatie
o Verdunning; massieve vocht toediening of transfusie zonder voldoende trombocyten
o Sekwestratie/redistributie bij een vergrote milt.
syndroom van gilbert
hoog bilirubine
acute virale hepatitis lab
hoog alkalisch fosfatase
hoog gamma gt
extreem hoog alat
extreem hoog asat
hoog bilirubine
obstruerende galsteen lab
hoog alkalisch fosfatase
hoog gamma gt
hoog alat
hoog asat
hoog bilirubine
dag tot dag variatie alat en asat
ASAT heeft dag tot dag variatie van 12% en analytische variatie van 5%- voor ALAT is dat 20%
respect 5%
na 1 week opnieuw meten als je niet zeker weet of medicatie werkt
wat meet Ammoniak
leverFunctie
wat meet ALAT
leverenzym
wat meet Albumine
leverfunctie
wat meet Alkalisch fosfatase
leverenzym
wat meet ASAT
leverenzym
wat meet Bilirubine
leverfunctie
wat meet Gamma GT
leverenzym
ook verhoogd bij alcoholgebruik en leveraandoening
wat meet PT
leverfunctie
wat meet Trombocyten
leverfunctie
wanneer is er sprake van acute nierinsufficientie
plasmakreat 1.5x verhoogd of meer in 7d
bevindingen tubulusnecrose
Sediment:
tubulusepitheel
Geen proteïnurie
Hoog urine natrium
Fractionele
natriumexcretie >1%
bevindingen uwi
Sediment: veel
leukocyten, veel
bacteriën, enkele
erythrocyten
Spoor proteïnurie
Natrium normaal
bevindingen glomerulonefritis
Sediment: veel
dysmorfe
erytrocyten
Veel proteïnurie
Natrium normaal
wanneer wordt gesproken van een significant verschil in plasma kreat
meer dan 15%
acute natriemie
daling >15 mmol/l natrium binnen
48 uur plaatsvind
Waarom moet correctie van een chronische hyponatriëmie met beleid gebeuren?
In die situatie kan juist te snelle correctie schadelijk zijn, omdat dit het
osmotische demyelinisatie syndroom kan veroorzaken
Welke klachten kunnen optreden door hyponatriëmie?
Misselijkheid, braken, verwardheid, hoofdpijn, cardiorespiratoire verslechtering,
somnolentie, insulten, coma (GCS<8)
welke aandoeningen kunnen een bloedingsneiging verklaren?
Stoornis van de trombocyten
a. Trombopenie door verschillende oorzaken
b. Trombopathie
i. Erfelijk
ii. Verworven
2. Stoornis van de stollingsfactoren
a. Erfelijk
i. Hemofilie
ii. Ziekte van von Willebrand
iii. Ander geïsoleerd stollingsfactortekort
b. Verworven
i. Vitamine K tekort
ii. Hemofilie (antistofvorming tegen stollingsfactoren)
iii. Leversynthesestoornis bij leverlijden
iv. Medicatie
3. Vaat(wand) afwijkingen
a. Arterioveneuze malformatie
b. Ziekte van Rendu-Osler-Weber
c. Vasculitis
4. Diffuse intravasale stolling (DIS)
Combinatie van bovengenoemde elementen
Welke veelgebruikte medicijnen kunnen klinisch een rol spelen bij een verhoogde
bloedingsneiging en op welk deel van de hemostase grijpen deze in?
- NSAID’s: salicylaten en overige remmen plaatjes aggregatievia remming cox/2. Acetylsalicylzuur bij
hart/ en vaatziekten of analgeticum. irreversibel. Na 7d weer normaal. Andere NSAID’s [ibuprofen, diclofenac, indometacine, naproxen] bij gewrichtsontstekingen en pijn. reversibel. Na ½ dag weer normaal - Vitamine/K antagonisten, remmen II, VII, IX en X. door gamma-carboxylering remmen in lever, voorkomt hechting oppervlak. Acenocoumarol en fenprocoumon (werkt tot 2w)
- Heparine, stimulering van fysiologische antistollingsfactor antitrombine, actieve vorm van de factoren II en met name X wordt
geremd. geeft verlenging APTT (behalve laaggewicht). voor voorkomen trombosebeen of een longembolie
wat meten bij verhoogde bloedingsneiging
[trombocytengetal] voor het aantonen van
trombopenie
[bloedingstijd] voor het aantonen van een eventuele
trombopathie
APTT en de extrinsieke route via PT. Beide systemen overlappen elkaar en zijn beide afhankelijk
van de aanwezigheid van factoren V, X, II en I [fibrinogeen, bij ernstige tekorten een verlenging
Hemoglobinegehalte en MCV [‘mean corpuscular volume] voor ernst
toegevoegde waarde van APTT en PT
Dus APTT en PT zijn
weliswaar goede tests voor het detecteren van een eventueel defect in het fibrinevormend
systeem, maar ze geven een matige reflectie van hoe de stolling in vivo verloopt want de intrinsieke route wordt niet meegenomen
Hb referentiewaarde
8,0/10,0mmol\l
MCV referentiewaarde
80/100 fmol]
Trombocyten referentiewaarde
150-350 x 109\l
PT referentiewaarde
< 13 sec
APTT referentiewaarde
< 29 sec
Bloedingstijd referentiewaarde
< 6 min