November Flashcards
Doordringen
To sink in
Knorrig
Grumpy
Een schepje boven op doen
To add something
Ergens in stoppen
To put in something
Overdrijven
To Exaggerate
Ook al
Even though
Het teken
The sign
Het spoor (not platform)
The trail
Bevelen
To command
Schroeien
To scorch
De val
The trap
Beven
Shake (usually with fear)
Keren
To turn
Troosten
To comfort
Tevreden
Satisfied
De indruk
The impression
Af en toe
Sometimes
Telkens
Each time
Het lokaas
The bate
Nou en of
Certainly
Tevreden
Satisfied
Zeer
Very
Er vandoor gaan
To leave
Aanstalten maken
To begin
Het jochie
The boy
Gehecht zijn aan
To be attached to
Voorstellen
To imagine OR to introduce
Geen fut meer hebben
To not have any energy anymore
Stom
Stupid
Verschil
Difference
Overeind
Upright
Er is iets niet in de haak
Something is not quite right
Verstandig
Wise (making the right decisions)
Haast niet
Hardly
Terecht komen
To end up
Jokken
To lie
Iemand zijn zin geven
To go along with someone/to do it their way
Iets op het spel zetten
To risk something
Geweldig
Amazing
Naderen
To near
De helling
The slope
De struik
The bush
Bloeien
To bloom
Voor eeuwig
For a very long time
Veranderen
To change
Bidden
To pray
Smeken
To beg (by using words)
Zorgvuldig
With care
Bewaken
To guard
De reus
The giant
Het jochie
The boy
Uitspoken
To play a trick
Bewijzen
To proof
Iemand voorliegen
To lie to somebody
Voeren
To feed
Iets door de vingers zien
To be lenient
Helling
Slope
Wiegen
To rock
Hikken
To hickup
De Beloning
The reward