Harry Potter 1 Flashcards
Verbeelden
To imagine
Bedriegen
To deceive
Mijmeringen
Day dreams
Verstoren
To disturb
Prettig
Pleasurable
Zooitje
Mess
Halvegaren
Half wits
Beseffen
To realise
Nijdig
Angry/seething
Per slot van rekening
At the end of the day
Kwalijk nemen
To mind another
Pardoes
Suddenly
Van je sokken gelopen/gereden worden
To be run over
Piekeren
To worry
Vergissen
To be wrong
Deerlijk
Very
Het standbeeld
The statue
In de gaten houden
To keep an eye on
In de gaten hebben
To be aware of
Magere
Skinny
De hak
The heel
De laars
The boot
De gesp
The buckle
Krom
Croocked
Werpen
To throw
Het Trottoir
The pavement
De kraal
The bead
Roddelen
To gossip
Vergelijken
To compare
Het gerucht
The rumour
Blijkbaar
Apparently
Het op iemand gemunt hebben
To have it in for someone
Naar adem snakken
To gasp for air
Gewoonweg
Downright
Verbijsterend
Astounding
Voldoende
Sufficiently
De neiging
The tendency
Het gebulder
The rumbling
Schuilen
To shelter
Het puin
The rubble
De snee
The cut
De bliksemschicht
The lightning bolt
Het litteken
The scar
De koter
The small child
Draaien
To turn
Glippen
To slip (but not as to fall, more as the eel slipped out of my hand)
Onderscheiden
To make out
Geruis
Swishing
Bijeen
Together
Aantreffen
To find (without that you were looking)
Weerkaatsen
To reflect
Vrijwel
Hardly/barely
Onheilspellende
Ominous
Voorspellen
To predict
De schoorsteen
The chimney
Ruw
Rough
Afvegen
Wipe/brush
Wennen
To get used to
Wemelen
For there to be lots of it
Gewend zijn aan
To be used to
De bezem
The broom
Zeuren
To complain/whine
Het raadsel
The riddle
De hekel
The hatred
In vredesnaam
(Why) on earth
Smal
Narrow