Nov & Dec Flashcards
1
Q
(zich) smeren/ insemeren
* hebben gesmeerd
A
to rub
2
Q
slap
A
weak
3
Q
kammen
A
to comb
4
Q
(zicht) scheren
* schoor- geschoren
A
to shave
5
Q
lakken
A
paint
6
Q
inzepen
A
to soap
7
Q
zich) opmaken(
A
to make up
8
Q
aankondigen
A
to announce
9
Q
de betoging
A
de demonstration
10
Q
de menigte
A
crowd
11
Q
uit elkaar te drijven
e.g. zette een waterkanon in om de menigte uit elkaar te drijven
A
drift apart
12
Q
relschoppers
A
rioters
13
Q
nestelen
A
to nest, to settle
14
Q
uiterst
A
extremely
15
Q
ontstemd
A
displeased
16
Q
Afschuw
A
disgust, horror
17
Q
afschuwelijk
A
terrible
18
Q
mafkezen
A
crazy people
19
Q
slopen
A
demolish
20
Q
weerzinwekkend
A
repulsive
21
Q
fors
A
hefty
22
Q
vernieling
A
destruction