Lesson 13 Flashcards
1
Q
A stroke of luck
A
Een meevaller
2
Q
Abandon
A
Verlaten
3
Q
Agitation
A
Opwinding, ergernis
4
Q
Arise
A
Opkomen (uit)
5
Q
Bring about
A
Veroorzaken, tot stand brengen
6
Q
Compulsive
A
Dwangmatig
7
Q
Demanding
A
Veeleisend
8
Q
Devastated
A
Enorm teleurgesteld
9
Q
Exceptional
A
Uitzonderlijk
10
Q
Executive
A
Leidinggevende
11
Q
Hamper
A
Belemmeren
12
Q
Leave aside
A
Buiten beschouwing laten
13
Q
Perspective on
A
Kijk op
14
Q
Potential
A
Mogelijkheden, potentieel
15
Q
Regain
A
Terugkrijgen
16
Q
Respective
A
Desbetreffende
17
Q
Revolve around
A
Draaien om
18
Q
Rob of
A
Iemand iets ontnemen
19
Q
Self-awareness
A
Zelfbewustzijn
20
Q
Set the tone
A
De toon zetten
21
Q
Staggering
A
Ongelooflijk (groot)
22
Q
Substantial
A
Substantieel, flink
23
Q
Take stock
A
De balans maken
24
Q
Tend
A
Neigen naar
25
Q
Think through
A
Goed over nadenken