Lesson 12 Flashcards
1
Q
Accommodate
A
Onderdak bieden aan
2
Q
At your lowest
A
Op je dieptepunt
3
Q
Clutch
A
Vastgrijpen
4
Q
Cordially
A
Hartelijk
5
Q
Dorm room
A
Kamer in een studentenhuis
6
Q
Draughtsman
A
Tekenaar
7
Q
Genuinely
A
Echt, onvervalst
8
Q
Gesture
A
Gebaren
9
Q
Have in store
A
In petto hebben
10
Q
Incline
A
Geneigd
11
Q
Incoherent
A
Onsamenhangend
12
Q
Key
A
Toonaard
13
Q
Launderette
A
Wasserette
14
Q
Merely
A
Slechts
15
Q
Offering
A
Geschenk
16
Q
Outrageous
A
Schandalig
17
Q
Per
A
Volgens, overeenkomst
18
Q
Perpetrate
A
Plegen, begaan
19
Q
Put up
A
Verdragen
20
Q
Regardless of
A
Ongeacht
21
Q
Stagger
A
Wankelen
22
Q
Supposedly
A
Zogenaamd
23
Q
Systemic
A
Systemisch, van het systeem
24
Q
Twist
A
Draaien
25
Q
Untouched
A
Onaangetast, onberoerd
26
Q
Vows
A
Geloften