Lesson 1 Flashcards
1
Q
Acquire
A
Verwerven
2
Q
Advocate
A
Voorstander
3
Q
Appearance
A
Verschijning
4
Q
As of
A
Vanaf
5
Q
Be due
A
Verwacht worden
6
Q
Be struck by
A
Geraakt worden door
7
Q
Burgeoning
A
Opkomend
8
Q
Collaborate
A
Samenwerken met
9
Q
Contribution
A
Bijdrage
10
Q
Eke out
A
Bijeen scharrelen
11
Q
Engineer
A
Ontwikkelen
12
Q
Feel the urge
A
De noodzaak voelen
13
Q
Finite
A
Eindig, beperkt
14
Q
Fuse
A
Samensmelten
15
Q
Gig
A
Optreden
16
Q
Injustice
A
Onrecht
17
Q
Legislation
A
Wetgeving
18
Q
On the forefront
A
In de voorhoede
19
Q
Patron
A
Beschermheer, -vrouw
20
Q
Prohibit
A
Verbieden
21
Q
Prospect
A
Vooruitzicht
22
Q
Remote
A
Afgelegen
23
Q
Treasure
A
Koesteren
24
Q
Vocals
A
Zangstemmen, zangpartij