Kapitel 3 woordenschat 8 Flashcards
1
Q
afleiden
A
ablenken
2
Q
opgeven
A
aufgeben
3
Q
uitdrukken
A
ausdrücken
4
Q
uitgeven
A
ausgeben
5
Q
imponeren
A
beeindrucken
6
Q
berouwen
A
bereuen
7
Q
doorzetten
A
durchkämpfen
8
Q
zich aanpassen
A
sich eingewöhnen
9
Q
aanbevelen
A
empfehlen
10
Q
krijgen, bekomen
A
erhalten
11
Q
onderzoeken
A
erkunden
12
Q
beleven
A
erleben
13
Q
voelen
A
fühlen
14
Q
blij zijn om
A
sich freuen über
15
Q
wennen aan
A
sich gewöhnen an
16
Q
gaan liggen
A
sich legen
17
Q
uitvoeren, presteren
A
leisten
18
Q
beheersen
A
meistern
19
Q
missen
A
missen
20
Q
op de zenuwen werken
A
nerven
21
Q
stressen
A
stressen
22
Q
onderhouden
A
unterhalten
23
Q
overeenkomen
A
vereinbaren
24
Q
waarnemen
A
wahrnehmen
25
Q
trekken
A
ziehen
26
Q
A