Défi 4: M2 Flashcards
een winkelwagentje
un caddie
een waarborg (voor kot vaak 1 maand huur)
une caution
een studentenkamer (kot)
une chambre d’étudiant (un kot)
een beschikbaarheid
une disponibilité
een douche
une douche
een mislukking
un échec
een wasbak, een gootsteen
un évier
de universiteit (unief)
la fac(ulté)
een strijkijzer
un fer à repasser
een investering
un investissement
een studentenjob
un job étudiant
een wasserette
une laverie
een eenpersoons-, tweepersoonsbed
un lit simple, double
een kookplaat
une plaque de cuisson
een stopcontact
une prise électrique
een eigenaar, eigenares
un(e) propriétaire
een opbergkast
un (meuble de) rangement
een (universitaire) residentie
une résidence (universitaire)
een offer
un sacrifice
het sanitair, de sanitaire voorzieningen
les sanitaires (m)
een huishouddienst
un service de ménage
een opluchting
un soulagement
een tweede zit
une deuxième session
een oppervlakte
une superficie
een nachtkastje
une table de chevet
collectief, gemeenschappelijk
collectif, collective
autoritair, bevelend
directif, directive
uitgerust
équipé(e)
bemeubeld
meublé(e)
privé-
privatif, privative
ontslag nemen
démissionner
afstand doen van, opgeven
renoncer à (c –> ç)
naar de les gaan
aller en cours
naar het werk vertrekken
filer au boulot
lessen missen
manquer, rater des cours
een diploma behalen
obtenir un diplôme
vertraging oplopen
prendre du retard
een jaar overdoen
redoubler une année
de inschrijvingskosten betalen
régler (é –> è) les frais d’inscription
spijbelen
sécher les cours
zich inschrijven aan de universiteit
s’inscrire à la fac