Défi 2: M1 Flashcards
een toename
un accroissement
een (terroristische) aanslag
un attentat (terroriste)
de zelfstandigheid, de autonomie
l’autonomie (f)
de autoriteit, macht, bevoegdheid
l’autorité (f)
een extralegaal voordeel
un avantage extralégal
een mislukking
un échec
het ondernemerschap
l’entrepreneuriat (m)
een onderneming
une entreprise
de ontwikkeling, groei, ontplooiing
l’épanouissement (m)
een evenwicht
un équilibre
een uitbreiding, expansie
une expansion
de onzekerheid
l’incertitude (f)
de loyaliteit tov, de trouw aan
la loyauté envers
een update, actualisering
une mise à jour
het multitasken
le multitasking
een kennisgeving, bericht
une notification
een zoektocht
une quête
een erkenning
une reconnaissance
de veiligheid
la sécurité
een socioloog, sociologe
un(e) sociologue
de stabiliteit
la stabilité
een derde
un tiers
strijdlustig
combattif, combattive
gefocust, geconcentreerd
concentré(e)
geëngageerd (in)
engagé(e) (dans)
uitzonderlijk
exceptionnel(le)
onophoudelijk
incessant(e)
vorig
précédent(e)
toegang krijgen tot, bereiken, binnengaan
accéder à
streven naar, ambiëren
aspirer à
samenwerken
collaborer
uitreiken
décerner
aanwerven, in dienst nemen
embaucher
afwerken, finaliseren
finaliser
terug (op)laden
recharger
eisen
réclamer
zich engageren/inzetten voor
s’engager dans
volgen op, opvolgen
succéder à
verwerken, behandelen
traiter
ervaring hebben (met)
avoir de l’expérience (avec)
de drang hebben naar macht, machtsbelust zijn
avoir la soif de pouvoir
een rebelse kant hebben
avoir une côté rebelle
een ontwikkelde ondernemingsgeest hebben
avoir un esprit entrepreneurial développé
bedragen
être de
op zoek zijn naar de zin, betekenis (van)
être en quête de sens (à)
bewijzen, blijk geven van
faire preuve de
aan belang winnen
gagner en importance
in de praktijk brengen
mettre en pratique
wat ook … is
quel(le) que soit
iemand de oren afzagen met iets
rebattre les oreilles à quelqu’un avec quelque chose
nood voelen aan
ressentir un besoin de
van het ene project op het andere springen
sauter d’un projet à l’autre
vroeger, voorheen
auparavant
zodoende, bijgevolg
dès lors
wat … betreft
en ce qui concerne
persoonlijk, face to face
en face-à-face
wie dan ook
quiconque
ofwel … ofwel; hetzij
soit … soit
later
sur le tard