Babbel Dutch A1-3 Flashcards
We’re looking for an administrative assistant (masc.) for part-time work.
We zoeken een administratief medewerker in deeltijd.
She would like to become an engineer later on.
Zij wil later ingenieur worden.
I urgently have to go to the hairdresser (masc.)!
Ik moet dringend naar de kapper!
The sales assistant (fem.) is in a bad mood today.
De verkoopster heeft vandaag een slecht humeur.
Her job is exciting.
Haar beroep is spannend.
I want to be a lawyer later on.
Ik wil later advocaat worden.
What job do you want to do later on?
Welk beroep wil jij later uitoefenen?
A teacher (masc.) does important work.
Een leraar doet belangrijk werk.
We often write emails to our supplier.
We schrijven vaak e-mails aan onze leverancier.
Sometimes I go out to eat with my colleagues.
Soms ga ik met mijn collega’s uit eten.
She always has to work.
Ze moet altijd werken.
You never call me.
Je belt me nooit.
He comes by now and then.
Hij komt af en toe langs.
I’m rarely at home.
Ik ben zelden thuis.
Are your parents young or old?
Zijn je ouders jong of oud?
They have three children.
Ze hebben drie kinderen.
You can’t be serious! (lit. That mean you not!)
Dat meen je niet!
Later (on) I want a daughter and a son.
Later wil ik een dochter en een zoon.
I’m not thin, but also not fat.
Ik ben niet slank, maar ook niet dik.
He has a brother and a sister.
Hij heeft een broer en een zus.
My father and mother have bought a house.
Mijn vader en moeder hebben een huis gekocht.
Young and old (lit. Small and big), everyone is welcome.
Klein en groot, iedereen is welkom.
My grandparents had five children.
Mijn grootouders hadden vijf kinderen.
My uncle and aunt are divorced.
Mijn oom en tante zijn gescheiden.
I don’t believe it.
Ik geloof het niet.
Do you work to live or live to work?
Werk je om te leven of leef je om te werken?
He doesn’t write letters anymore.
Hij schrijft geen brieven meer.
We traveled by train.
We reisden met de trein.
You catch mice with bacon.
Met spek vangt men muizen.
I’m moving to Ghent.
Ik verhuis naar Gent.
I would like to have a kilo (of) plums.
Ik had graag een kilo pruimen.
I’m buying a pear at the market.
Ik koop een peer op de markt.
Are we going shopping (lit. Go we shopping do)?
Gaan we boodschappen doen?
That’s then twenty euros.
Dat is dan twintig euro.
sour plums
zure pruimen
red cherries
rode kersen
fifteen - sixteen
vijftien - zestien
thirteen - fourteen
dertien - veertien
seventeen - eighteen
zeventien - achttien
nineteen - twenty
negentien - twintig
Do you feel like going to the movie theater?
Heb je zin om naar de bioscoop te gaan?
Do you have time on Saturday evening?
Heb je zaterdagavond tijd?
Shall we go out?
Zullen we uitgaan?
Do you want to come (lit. go) dancing with (me)?
Ga je mee dansen?
See you then!
Tot dan!
inside at the box office
binnen aan het loket
outside in front of the movie theater
buiten voor de bioscoop
to meet up
afspreken
He is standing behind the bar.
Hij staat achter de bar.
Where and when?
Waar en wanneer?