Woordjes 359-378 Flashcards
praeda
praedae
de buit, de prooi
imperium
imperii
de heerschappij, het opperbevel, het rijk
Lat.
certus
~a, ~um
zeker
tempestas
tempestatis
de tijd, de storm
Fr.
possidere
~eo
possedi, possessum
bezitten, beheersen
fortasse
misschien
accedere
~o
accessi, accessum
naderen
adducere
adduxi, adductum
brengen naar
adspicere
~io
adspexi, adspectum
aankijken
adesse
adfui, -
aanwezig zijn, helpen
adire
~eo
adii, aditum
gaan naar, bezoeken
afferre
~fero
attuli, allatum
brengen (naar)
amittere
~o
amisi, amissum
verliezen
abicere
~io
abieci, abiectum
wegwerpen, neerwerpen
abire
~eo
abii, abitum
weggaan
auferre
~fero
abstuli, ablatum
wegnemen
tradere
~o
tradidi, traditum
overhandigen, toevertrouwen
transferre
transtuli, translatum
overbrengen
transire
~eo
transii, transitum
oversteken