h3 FA-NL Flashcards
gourmand
dol op lekker (en veel) eten
l’alimentation (v)
de voeding
grossir
dikker worden
un régime
een dieet
autrefois
vroeger
éger, légère
licht verteerbaar
se nourrir
zich voeden
contenir
bevatten
un emballage
een verpakking
la boîte
het blik, het blikje
le goût
de smaak
ajouter
toevoegen
provenir de
afkomstig zijn van
bouillir, faire bouillir
koken
le fournisseur
de leverancier
la pâtisserie
de banketbakkerij
la saveur
de smaak
le poisson
de vis
une truite
een forel
l’huile
de olie
le vinaigre
de azijn
le convive
de gast, de tafelgenoot
le congélateur
de vrieskist, de (diep)vriezer
affamé
uitgehongerd, hongerig
une dégustation
een proeverij
renverser
omstoten, omgooien
la vente
de verkoop
le gâteau
het koekje, het taartje
le serveur
de ober
le robinet
de kraan
contribuer à
bijdragen aan
l’addition (v)
de rekening
une entrée
een voorgerecht
emporter
afhalen, meenemen
le miel
honing
le blé
het graan
la famine
de hongersnood
une gorgée
een slok
le micro-ondes
de magnetron
salé
zout, gezouten