H3 - Deel 2 Flashcards
1. Wat was het “monsterverbond” tussen liberalen en katholieken in België tijdens de onafhankelijkheid?
Het “monsterverbond” verwijst naar de samenwerking tussen liberalen en katholieken in 1830 om de Belgische onafhankelijkheid te realiseren. Ze werkten samen ondanks ideologische verschillen vanwege hun gezamenlijke vijand, het protestantse regime van Willem I.
2. Wat is het belang van de grondwet van 1831 in de verhouding tussen liberalen en katholieken?
De grondwet van 1831 bevatte elementen die zowel voor liberalen als katholieken belangrijk waren, zoals godsdienstvrijheid, persvrijheid, en de vrijheid van onderwijs, terwijl de Kerkfinanciering behouden bleef, maar nu voor meerdere levensbeschouwingen.
3. Wat hield het artikel 14 en 15 van de Belgische Grondwet in?
Artikel 14 en 15 legden de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting vast, wat liberalen tevredenstelde. Het stelde ook dat niemand gedwongen mocht worden deel te nemen aan een religieuze praktijk waar ze niet toe behoorden.
4. Wat is het “Unionisme” in de Belgische politiek?
Unionisme verwijst naar de samenwerking tussen liberalen en katholieken in de vroege Belgische politiek, waarbij de grondwet en het politieke systeem een weerspiegeling waren van de compromissen tussen beide groepen, vooral ten aanzien van godsdienst en onderwijs.
5. Wat is de rol van de Belgische staat in het financieren van godsdiensten?
De Belgische staat ondersteunt meerdere erkende levensbeschouwingen financieel, wat in de praktijk betekent dat de overheid de lonen van geestelijken betaalt en sommige religieuze instellingen ondersteunt. Dit wordt als een vorm van “welwillende neutraliteit” gezien. (= staat is neutraal, maar maakt mogelijk dat levensbeschouwing zich laat erkennen)
6. Hoe verschilt de Belgische kerk-staat verhouding van de Franse “Laïcité”?
In België is er een actieve ondersteuning van levensbeschouwingen door de overheid (levensbeschouwelijk pluralisme), terwijl Frankrijk strikt de scheiding tussen kerk en staat handhaaft, zonder overheidsfinanciering van religieuze activiteiten.
7. Welke levensbeschouwingen zijn erkend door de Belgische overheid?
De Belgische overheid erkent zeven levensbeschouwingen: Rooms-Katholicisme, Protestantisme, Anglicanisme, Orthodox Christendom, Jodendom, Islam, en Niet-confessioneel Vrijzinnig Humanisme.
8. Wat zijn de voordelen en nadelen van het Belgische systeem van levensbeschouwelijke erkenning?
Voordelen: Erkenning van verschillende levensbeschouwingen, waarbij mensen de mogelijkheid hebben om hun geloof officieel te laten erkennen. Nadelen: Er zijn verschillen in de uitvoering, zoals variërende salarissen voor geestelijken en de ongelijke verdeling van middelen.
Neutraal?
• (+) Geen uitspraak over de waarde of waarheid van de levensbeschouwingen, open systeem
o Verschillende levensbeschouwingen mogelijk, iedereen kan zich laten herkennen
• (-) Gebrek aan neutraliteit in toekennen van de voordelen: berekening van de middelen, verschillende lonen, huisvesting, etc.
o In uitvoering minder neutraal
o Vb priester meer betaald dan consulenten van vrijzinnige
o Systeem in voordeel van katholieken
9. Hoe werd de Islam erkend in België?
De Islam werd erkend in België in 1974 na de arbeidsmigratie. Dit gaf moslimgemeenschappen toegang tot overheidsfinanciering, en in 2007 werden de eerste moskeeën erkend en werd de Belgische overheid verantwoordelijk voor het betalen van imams.
10. Wat was het resultaat van de tweede schoolstrijd in België (1950-1958)?
De tweede schoolstrijd leidde in 1958 tot het Schoolpact, een compromis tussen katholieken en vrijzinnigen, dat het bestaan van zowel vrije als officiële scholen erkende, de keuzevrijheid voor ouders garandeerde, en subsidiëring voor vrije scholen mogelijk maakte.
11. Wat houdt het Schoolpact van 1958 in?
Het Schoolpact erkende zowel officiële als vrije scholen, waar ouders keuzevrijheid hadden. Het stelde ook dat vrije scholen recht hadden op subsidiëring en verplichtte het officieel onderwijs om levensbeschouwelijke vakken aan te bieden, zoals katholieke, protestantse of joodse eredienst en niet-confessionele zedenleer.
12. Wat zijn de implicaties van de Grondwetswijziging van 1988 voor het onderwijs in België?
De Grondwetswijziging van 1988 waarborgde de vrijheid van onderwijs en zorgde ervoor dat ouders keuzevrijheid hadden tussen onderricht in erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer. De wijziging maakte onderwijs een bevoegdheid van de gemeenschappen.
13. Wat was de impact van de wijziging van de Belgische Grondwet in 1988 op levensbeschouwelijke vakken in het onderwijs?
Vanaf 1988 was er een verplicht aanbod van levensbeschouwelijke vakken in het officieel onderwijs, waar leerlingen konden kiezen tussen godsdienstonderwijs of niet-confessionele zedenleer. Dit werd opgenomen in de gemeenschapsbevoegdheden.
14. Wat zijn de uitdagingen bij de erkenning van de islamitische gemeenschappen in België?
o Oorzaken kloof: Imam werdt al betaald door land van herkomst, de Islaam is een verzameling van verschillende gemeenschappen – vaak etnisch → om erkening te krijgen is er een intermediair instituut nodig die dient als spreekbuis tussen geloofsgemeenschap en overheid (bischopconferentie voor RM Kerk) => diverse gemeenschap + niet op dezelfde manier georganiseerd
o Oplossing: moslim exicutieven – liep moeilijk + bestaat niet meer
o => verwachting overheid zelfde manier organiseren als R.-K. Kerk → ging niet/moeilijk
o Met opkomst VB – niet te veel goed willen doen voor de moslims
Vraag:Hoe was de levensbeschouwing in Vlaanderen tot de jaren 1970?
Antwoord:Vlaanderen was voornamelijk katholiek, met een meerderheid van de bevolking kerkelijk. Parochies vormden een sociaal weefsel, zondagen waren speciale dagen, sacramenten waren heilig, en priesters fungeerden als raadgevers.
Vraag:Wat zijn de drie belangrijke evoluties in het gewijzigde levensbeschouwelijke landschap?
Antwoord:Secularisering, (mentale) ontzuiling, en toegenomen diversiteit.
Vraag:Wat betekent secularisering?
Antwoord:Secularisering verwijst naar verwereldlijking: het proces waarbij religie minder invloed krijgt op politiek, cultuur, en het privéleven van mensen.
Vraag:Wat zijn de twee dimensies van secularisering?
1/ Politiek-culturele dimensie: religie verliest haar structurerende rol in de samenleving.
2/ Sociologisch-empirische dimensie: daling van religieuze beleving en geloofspraktijken, vooral in West-Europa.
Vraag:Welke factoren dragen bij aan secularisering?
Antwoord:Hogere scholingsgraad, wetenschap, individualisme, consumptiemaatschappij, en sociaal-economische gelijkheid.
Vraag:Wat is ‘believing without belonging’?
Antwoord:Mensen knippen de band met het traditionele kerkinstituut door maar blijven geloven in iets op een meer individuele manier.
Vraag:Wat is ontkerkelijking?
Antwoord:Een proces waarbij de invloed van de Kerk afneemt, zichtbaar in dalend kerkbezoek, leeglopende kloosters, en afname van vertrouwen in kerkelijke instituties.
Vraag:Wat is ‘belonging without believing’?
Antwoord:Mensen identificeren zich met christelijke praktijken en waarden, zoals doop en huwelijk, zonder expliciet gelovig te zijn.
Vraag:Wat houdt verzuiling in?
Antwoord:Verzuiling is een maatschappelijke structuur waarin mensen zich organiseren in levensbeschouwelijke zuilen, zoals katholieke, socialistische en liberale netwerken.
Vraag:Wat is mentale ontzuiling?
Antwoord:Het vervagen van levensbeschouwelijke tegenstellingen in het dagelijks leven, waarbij zuilen hun levensbeschouwelijke basis verliezen maar vaak als organisaties blijven bestaan.
Vraag:Wat is superdiversiteit?
Antwoord:Een verhoogde diversiteit door migratie en globalisering, waarbij mensen elementen uit verschillende tradities combineren en etnisch-culturele homogeniteit plaatsmaakt voor een multiculturele realiteit.
Vraag:Wat is de huidige situatie van de Islam in België?
Antwoord:De Islam is numeriek de tweede religie, met 6% van de bevolking, voornamelijk van Marokkaanse en Turkse afkomst, en is sterk beïnvloed door migratieprogramma’s uit de jaren ‘60 en ‘70.
Vraag:Wat zijn kenmerken van de joodse gemeenschap in België?
Antwoord:Antwerpen heeft een opvallende chassidische gemeenschap, terwijl moderne orthodoxe en liberale joden meer integreren in de bredere samenleving. Synagogen en joodse scholen blijven actief.