COMPRESSOREN Flashcards
Welk onderdeel van de open zuigercompressor maakt dat deze
compressor niet erg populair is in verband met emissie?
A de aandrijfmotor
B de asafdichting
C de oliepomp
D de riemschijven en hun uitlijning
B
Een compressor in een koelinstallatie:
A zuigt damp uit de verdamper en perst deze damp naar de condensor
B zuigt damp aan en perst vloeibaar koelmiddel naar de verdamper
C zorgt ervoor dat de druk in de verdamper gelijk blijft aan de verzadigde
dampdruk
D zorgt ervoor dat de verdamper- en condensordruk gelijk blijven
A
Het soortelijk volume van een koelmiddel is bepalend voor:
A de grootte van het expansieventiel
B het slagvolume van de compressor
C de diameter van de leiding tussen de condensor en de verdamper
D het vermogen van de installatie
B
Bij een zuiggasgekoelde ééntrapscompressor is de carterdruk gelijk aan:
A de lage druk
B de hoge druk
C de atmosfeerdruk
D de absolute druk
A
Hoe hoger in zuigdruk de compressor werkt bij dezelfde condensatiedruk:
A hoe beter het rendement
B hoe slechter het rendement
C hoe hoger de condensatiedruk
D hoe lager de condensatiedruk
A
Mag een compressor met motor voor diepvriestoepassing met hetzelfde
koelmiddel gebruikt worden voor frigotoepassing?
A ja, er is geen enkel verschil tussen de compressoren voor diepvries- en
frigotoepassing
B ja, de motor is dan meer dan sterk genoeg
C neen, de motor zal hoogstwaarschijnlijk te klein in vermogen zijn
D neen, de dichtingen dienen vervangen te worden
C
Mag een compressor met motor voor frigotoepassing met hetzelfde koelmiddel
gebruikt worden voor diepvriestoepassing?
A ja, er is geen enkel verschil tussen de compressoren voor diepvries- en
frigotoepassing
B ja, de motor is dan meer dan sterk genoeg
C neen, de motor zal hoogstwaarschijnlijk te klein in vermogen zijn
D neen, de dichtingen dienen vervangen te worden
B
Een compressor kan het grootste koelvermogen leveren als:
A de verdampingstemperatuur van het koelmiddel laag en de
condensatietemperatuur van het koelmiddel hoog zijn
B de verdampingstemperatuur en de condensatietemperatuur van het
koelmiddel hoog zijn
C de verdampingstemperatuur en de condensatietemperatuur van het
koelmiddel laag zijn
D de verdampingstemperatuur van het koelmiddel hoog en de
condensatietemperatuur van het koelmiddel laag zijn
D
Het elektrisch vermogen dat nodig is om een compressor aan te drijven is het
grootst als:
A de verdampingstemperatuur van het koelmiddel laag en de
condensatietemperatuur van het koelmiddel hoog zijn
B de verdampingstemperatuur en de condensatietemperatuur van het
koelmiddel hoog zijn
C de verdampingstemperatuur en de condensatietemperatuur van het
koelmiddel laag zijn
D de verdampingstemperatuur van het koelmiddel hoog en de
condensatietemperatuur van het koelmiddel laag zijn
B
Bij twee koelinstallaties met een gelijk koelvermogen zal:
A een compressor die werkt met R134a een groter slagvolume hebben dan bij
gebruik van R507/R404A
B een compressor die werkt met R134a een kleiner slagvolume hebben dan
bij gebruik van R507/R404A
C een compressor die werkt met R134a een gelijk slagvolume hebben als bij
gebruik van R507/R404A
D een compressor die werkt met R134a een grotere motor nodig hebben dan
bij gebruik van R507/R404A
A
Op een koelcentrale zonder frequentieregelaars staan er 4 identieke
viercilinder compressoren waarbij één compressor klepontlasting (50%) heeft.
Hoeveel procent van de maximumcapaciteit kan de kleinste stap van de
koelcentrale halen?
A 25%
B 12,50%
C 10%
D 5%
B
Op een koelcentrale staan er 4 identieke viercilinder compressoren waarbij één
compressor klepontlasting heeft. Hoeveel capaciteitstappen heeft deze
koelcentrale?
A 4
B 6
C 8
D 10
C
Op een koelcentrale met een nominaal koelvermogen van 100 kW bij 50 Hz staan
er 4 identieke viercilinder compressoren waarbij één compressor frequentiegestuurd
is. De grootste capaciteit van deze koelcentrale bedraagt [vul in] als we de
compressoren maximaal naar 50 Hz optoeren.
A 100 kW
B 105 kW
C 120 kW
D 90 kW
A
Op een koelcentrale met een nominaal koelvermogen van 100 kW bij 50 Hz staan
er 4 identieke viercilinder compressoren die elk een nominaal koelvermogen van 25
kW hebben. Eén compressor is frequentiegestuurd. De netspanning is driefasig
400V/50 Hz. De frequentiegestuurde compressor wordt opgetoerd naar 60 Hz.
Hoeveel bedraagt de grootste capaciteit van deze koelcentrale?
A 100 kW
B 105 kW
C 120 kW
D 90 kW
B
Op een koelcentrale met een nominaal koelvermogen van 100 kW bij 50 Hz staan
er 4 identieke viercilinder compressoren die elk 25 kW koelvermogen hebben. Eén
compressor is frequentiegestuurd. De netspanning is driefasig 400V/50 Hz. De
frequentiegestuurde compressor wordt afgetoerd naar 30 Hz. Hoeveel bedraagt de
kleinste capaciteit van deze koelcentrale?
A 33 kW
B 25 kW
C 15 kW
D 12,5 kW
C
Bij een scrollcompressor:
A komt het gas in het centrum van de scroll binnen en verlaat dit aan de
buitenzijde
B wordt het gas gecomprimeerd door de centrifugale kracht van de scroll
C heeft men een stilstaande en een ronddraaiende spiraal
D heeft men een stilstaande en een slingerende spiraal
D
Een koelcentrale wordt gebruikt om:
A een capaciteitsregeling te hebben en zo het energieverbruik te verminderen
B het aandrijfvermogen per compressor te verminderen
C steeds reserve aan koelvermogen te hebben
D te kunnen persgasdooien
A
Waarvoor dient de capaciteitsschuif bij een schroefcompressor?
A enkel om de capaciteit te verminderen
B enkel om de capaciteit te vermeerderen
C om de capaciteit te verminderen of te vermeerderen
D om de olie proportioneel te laten terugkeren naar het carter
C
Waarvoor worden frequentieregelaars op compressoren hoofdzakelijk gebruikt?
A om de capaciteit aan de vraag aan te passen
B om een automatische arbeidsfactorverbetering te realiseren
C om de compressor onbelast te laten starten
D om de motor op een gereduceerde spanning te laten werken
A
Om bij een monobloc waterkoeler erover te waken dat er zo weinig mogelijk
koelmiddel in het carter zich kan vermengen met de olie wordt:
A er in de vloeistofleiding een magneetventiel geplaatst waaroor de machine
in pump-down gaat en er zo geen koelmiddel in het carter kan migreren
B er een carterverwarming geplaatst die de olie bij stilstand op een
temperatuur, hoger dan de omgevingstemperatuur, brengt
C er een zuigdrukregelaar geplaatst die een voldoende hoge druk in het carter
regelt
D de verdamper onder de compressor geplaatst waardoor het koelmiddel
onmogelijk opwaarts naar de compressor kan terugvloeien
B
Waarom wordt in de eerste plaats een tussenkoeler gebruikt in een
tweetrapscompressor?
A om de zuiggastemperatuur van de tussentrap te verhogen
B om de finale persgastemperatuur te verhogen
C om het koelmiddel extra te onderkoelen vooraleer het naar de verdamper
wordt gevoerd
D om de eindcompressietemperatuur te verlagen
D
Men sluit al draaiende de LD-servicekraan van een compressor totdat die
uitschakelt op lage druk (veiligheid). Men merkt dat de lage druk heel vlug weer
stijgt.
A dit is normaal
B dit duidt op het lekken van de zuigkleppen
C dit duidt op het lekken van de perskleppen
D dit kan het lekken betekenen van zowel pers- als zuigkleppen
C
Wat vermindert de volumetrische efficiëntie van een compressor?
A het verhogen van de zuigdruk
B het verlagen van de zuigdruk
C het verminderen van de persdruk
D het verminderen van de schadelijke ruimte
B
Welke mogelijkheid vergroot de volumetrische efficiëntie van de compressor?
A het vermeerderen van de persdruk
B het vermeerderen van de zuigdruk
C het vermeerderen van de compressieverhouding
D het verlagen van de zuigdruk
B
Op een compressor wordt een zuigdruk van 3 bar relatief en een persdruk van
11 bar relatief gemeten. Wat is de drukverhouding?
A 3,67
B 0,27
C dit kan men niet weten omdat het koelmiddel niet gekend is
D 3
D
Het opgegeven slagvolume van een compressor:
A is het theoretisch verplaatste gasvolume dat via de zuigklep binnenstroomt
B is het praktisch verplaatste gasvolume dat via de zuigklep binnenstroomt
C varieert met de zuigdruk
D varieert met de persdruk
A
Welk type compressor gebruikt meestal een schuif om de koelcapaciteit aan te
passen?
A een zuigercompressor
B een scrollcompressor
C een schroefcompressor
D een centrifugaalcompressor
C
Welk type compressor gebruikt perskleppen?
A een centrifugaalcompressor
B een schroefcompressor
C een zuigercompressor
D een scrollcompressor
C
Het massadebiet dat een compressor bij constant toerental verplaatst per uur
[vul in] als de verdampingstemperatuur stijgt.
A stijgt
B daalt
C blijft gelijk
D heeft geen invloed
A
Het massadebiet dat een compressor bij constant toerental verplaatst per uur
[vul in] als de condensatietemperatuur daalt.
A stijgt
B daalt
C blijft gelijk
D heeft geen invloed
A
De eindcompressietemperatuur [vul in] wanneer de zuiggassen meer oververhit
worden.
A stijgt
B daalt
C blijft gelijk
E hangt af van de verdampingstemperatuur
A
Als de zuigkranen van de compressor dik in ijs staan, dan:
A draait de installatie zeker met een te kleine oververhitting
B is de omgevingstemperatuur in de machinekamer zeker lager dan 0°C
C draait de compressor zeker met vloeistof
D kan dit de normale situatie zijn
D
Als een olieafscheider wordt geplaatst:
A moeten geen oliebochten meer worden geplaatst
B kan er onmogelijk nog olie in het systeem komen
C dan blijft de oliedruk altijd constant
D dan wordt het merendeel van de olie naar de carter teruggevoerd
D
Wat zijn de functies van de compressor?
A koelmiddeldamp laten circuleren en de druk verhogen
B zorgen voor een gecontroleerde koelmiddelstroom en een verlaging van de
druk
C latente warmte afgeven en een toestandsverandering veroorzaken
D latente warmte absorberen en een toestandsverandering veroorzaken
A
Een compressor in een koelinstallatie:
A zuigt koelmiddel uit de verdamper en perst dit naar de condensor
B zuigt koelmiddel aan en perst vloeibaar koelmiddel naar de verdamper
C zorgt ervoor dat de druk in de verdamper gelijk blijft aan de verzadigde
dampdruk
D zorgt ervoor dat de verdamper- en condensordruk gelijk blijven
A
Wat is een voordeel van een hermetisch gesloten compressor?
A de grotere capaciteit
B geen (lekkende) asafdichting naar buiten
C het grotere toerenregelbereik
D een grotere keuze van aandrijving
B
Wat heeft een dalende zuigdruk aan de compressor tot gevolg?
A het volume van het gas per kilogram koelmiddel wordt groter
B het volume van het gas per kilogram koelmiddel wordt kleiner
C het slagvolume van de compressor wordt groter
D de capaciteit van de compressor wordt groter
A
Wat wordt verstaan onder de drukverhouding bij een koelcompressor? De
verhouding tussen:
A de totale inhoud van de cilinder en de schadelijke ruimte
B het aangezogen volume van het gas en het weggeperste volume
C de zuigdruk en de persdruk
D de persdruk en de zuigdruk in absolute waarden
D
Waardoor worden de motorwikkelingen bij semi-hermetisch gesloten
compressoren gekoeld?
A door opstelling buiten of in gekoelde machinekamers
B door het persgas van de compressor
C motorkoeling is bij dit type compressoren niet noodzakelijk
D door het zuiggas naar de compressor
D
Om bij een duoschroefcompressor een goede afdichting te krijgen tussen de
zuig- en perszijde:
A wordt er olie tussen de rotoren gespoten
B wordt er vloeibaar koelmiddel tussen de rotoren gespoten
C worden de schroeven elk afzonderlijk door tandwielen aangedreven
D worden aan beide kanten van de rotoren asafdichtingen aangebracht
A
Wat gebeurt er wanneer een zuigleiding te klein wordt gekozen?
A de compressor zal meer moeten verpompen
B de eindcompressietemperatuur zal verhogen
C de eindcompressietemperatuur zal verlagen
D de drukverhouding zal verminderen
B
Waarom heeft carterverwarming bij een zuigercompressor nog nut bij hoge
omgevingstemperatuur?
A om te vermijden dat de olie uit het carter te veel zou weggezogen worden
bij een opstart
B om ervoor te zorgen dat de compressor warmer is dan de condensor
C om ervoor te zorgen dat de carter warmer is dan de verdamper
D om de viscositeit van de olie te verlagen
C
Een interne motorbeveiliging (bv. Kriwan) in een zuigercompressor beschermt
de motor tegen:
A overstroom
B te warm worden
C kortsluiting
D fasevolgorde
B
Een interne motorbeveiliging (bv. Kriwan) in een zuigercompressor:
A meet een ohmse waarde van de motorwikkelingen
B schakelt in de motorwindingen een contact uit
C meet een stroom in de compressor
D meet een ohmse waarde van een temperatuursafhankelijke weerstand in de
compressor
C
Als het mogelijk is te kiezen tussen een hermetische en een semi-hermetische
compressor, welke keuze maakt men dan bij voorkeur?
A een semi-hermetische compressor is altijd kwalitatief superieur tegenover
een hermetische compressor
B de norm NBN-EN 378 beveelt, overal waar het technisch mogelijk is, een
hermetische compressor aan
C de norm NBN-EN 378 vermeldt niets over de keuze van een compressor;
men is volledig vrij
D hermetische compressoren zijn slechts in volledig hermetische installaties
toegestaan
B