Communication Flashcards
1
Q
de pers
A
the press
2
Q
het verhaal
A
the story
3
Q
de opmerking
A
comment, remark
4
Q
het bericht
A
the message
5
Q
de ansichtkaart
A
postcard
6
Q
sturen
A
to send
7
Q
de postzegel
A
stamp
8
Q
de toegang
A
access, entry
9
Q
het gesprek
A
conversation
10
Q
de samenvatting
A
summary
11
Q
de taal
A
language
12
Q
de vertaling
A
translation
13
Q
het woordenboek
A
dictionary
14
Q
beschrijven
A
describe
15
Q
vertalen
A
translate
16
Q
begrijpen
A
to understand
17
Q
het wachtwoord
A
password
18
Q
de bevestiging
A
confirmation
19
Q
de toespraak
A
speech
20
Q
de uitzending
A
broadcast, episode
21
Q
het netnummer
A
area code
22
Q
het bestand
A
file, truce
23
Q
met vriendelijke groeten
A
kind regards
24
Q
de omroep
A
broadcaster (tv, radio)
25
Q
de uitnodiging
A
invitation