3.2 Flashcards

1
Q

Macht

A

Het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelinstellingen te bereiken en de handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Macht

A

Het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelinstellingen te bereiken en de handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

3 Voorbeelden van macht

A

Microniveau: ouders hebben macht over hun kinderen
Mesoniveau: directeur heeft macht over leerlingen
Macroniveau: machtsverhoudingen tussen landen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

4 soorten machtsbronnen

A

1- affectieve machtsbronnen: gevoel of emoties
2- cognitieve machtsbronnen: invloed op basis van kennis
3- economische machtsbronnen: geld of bezit
4- politieke machtsbronnen: invloed van de overheid of politieke machtdragers

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Formele en informele macht

A

Formele macht: vastgelegd in regels of wetten
Informele macht: macht die niet officieel is vast gelegd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

collectieve actie

A

Als mensen samenwerken om een collectief goed te realiseren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Het dilemma van collectieve actie

A

Het wel of niet willen meewerken aan het realiseren van een collectief goed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Freeriders

A

Actoren die wel profiteren van het collectieve goed maar er niet aan bijdragen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Oplossing voor het dilemma van collectieve actie

A

Dwang

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly