ZO week 11 Flashcards

1
Q

hoe vaak komt psychomotore ontwikkelingsachterstand voor in de algemene bevolking?

A

1-3%

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn mogelijke oorzaken voor een dergelijke ontwikkelingsachterstand?

A
  • Perinatale asfyxie, een tijdelijk gebrek aan zuurstof en/pf bloeddoorstroming naar de hersenen voor of tijdens de bevalling.
  • erfelijke en aangeboren afwijkingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

wat wordt er bij het aanvullend onderzoek gedaan bij een aangedaan kind / moeder van het aangedane kind?

A

Stofwisselingsonderzoek bij moeder als zij lijdt aan PKU of hyperfenylalaninenemie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

welk onderzoek wordt bij Angelman syndroom gedaan?

A

DNA-onderzoek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

welk onderzoek wordt bij syndroom van Williams gedaan?

A

FISH, naar een microdeletie op chromosoom 7q11

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welk onderzoek wordt bij het syndroom van Rett gedaan?

A

DNA-onderzoek verricht naar MECP2 gen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welk onderzoek wordt er gedaan bij het syndroom van down?

A

Chromosoomonderzoek naar trisomie 21.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wanneer is de ontwikkeling van de ledematen voltooid?

A

Rond dag 56 met volledig gescheiden vingers en tenen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Hoe verloopt het proces van de ledematen ontwikkeling en langs welke assen?

A
  • proximo-distale as (bij de arm van schouder naar vinger)
  • dorso-ventrale as (rug van de hand naar handpalm)
  • antero-posterior as (duim naar pink)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

wat zijn typische kenmerken bij het lichamelijk onderzoek bij het syndroom van Down?

A

zeer nauwe gehoorgangen die daardoor niet goed te inspecteren zijn, grote tong.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn problemen die vaker voorkomen bij kinderen met syndroom van down?

A
  • frequentie recidiverende bovenste luchtweginfecties, rhinitis en otitis media.
  • achterstand taal- en spraakontwikkeling
  • snurken, onrustige slaap, niet uitgeslapen wakker worden
  • twijfel aan de kwaliteit van het gehoor
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

wat is de behandeling bij OSAS?

A

adenotonsillectomie vaak in combinatie met het plaatsen van middenoordrainage buisjes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

wat zijn aandachtspunten voor de anesthesioloog bij kinderen met het syndroom van down?

A

De dimensie van de luchtwegen (mogelijk moeilijker te intuberen)
Atlanto-axiale instabiliteit (nek niet overstrekken)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

wat is vaak de oorzaak van een secundaire groeistoornis?

A
  • coeliakie
  • verworven auto-immuun hypothyreoïdie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn tekenen die pleiten voor coeliakie?

A

tekenen van malabsorptie, buikklachten, geleidelijk ontstaan dystrofie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

wat zijn tekenen die pleiten voor hypothyreoïdie?

A

traagheid, obstipatie, bradycardie en eerder te zwaar dan te licht voor de lengte

17
Q

waar kan je ouders met kinderen met het syndroom van Down naartoe verwijzen?

A

Organisatie MEE
integrale vroeghulp
patiëntenvereniging stichting Downsyndroom

18
Q

wat is het klinisch beeld van duodenumatresie?

A
  • gallig braken vanaf de geboorte
  • lucht in de maag en duodenum op de röntgenfoto/XBOZ
  • geen lucht in de rest van de buik.
19
Q

hoe onderscheidt een duodenumatresie zich van een oesophagusatresie?

A

Een baby met oesophagus atresie spuugt onmiddelijk alle voeding weer uit. Er is sprake van kwijlen en bellen blazen van speeksel. Geen gallig braken.

20
Q

wat zijn facomatosen?

A

aangeboren aandoeningen waarbij meerdere orgaansystemen kunnen zijn aangedaan, waaronder in ieder geval de huid en het zenuwstelsel.

21
Q

Noem 3 belangrijke neurocutane aandoeningen.

A
  1. neurofibromatosis type 1 (ziekte v Recklinghausen)
  2. Tubereuze sclerose complex
  3. Sturge-Weber syndroom
22
Q

wat is vesico-ureterale reflux (VUR)?

A

een abnormale terugstroom van urine vanuit de blaas naar de ureter of de nier.

23
Q

Hoe vaak komt in de kinderjaren een UWI voor?

A

3-5% bij meisjes
1,5% bij jongens

24
Q

Bij hoeveel procent wordt er een andere afwijking gevonden in de urinewegen bij een UWI?

25
Q

Bij klinische symptomen voor een UWI wordt een urinekweek afgenomen. Hoe wordt dat gedaan bij kleine kinderen?

A
  1. plaszakje
  2. eenmalige katheterisatie
  3. suprapubische punctie van de blaas
26
Q

wanneer zijn kinderen meer gevoelig voor UWI’s?

A

Tijdens de zindelijkheidstraining

27
Q

Welke gradaties zijn er bij de vesico-uretrale reflux?

A

Graad 1: VUR in ureter
Graad 2: VUR in het pyelum
Graad 3-5: onderscheiden zich in mate van dilatatie van de nier en ureter

28
Q

Waar kan VUR tot leiden in combinatie met UWI’s?

A

Pyelonefritis met verlies van parenchym en littekenvorming.

29
Q

Wat is de medicamenteuze behandeling van VUR|?

A

Antibioticaprofylaxe om UWI en pyelonefritis te voorkomen.

30
Q

Wanneer is een operatie geïndiceerd bij VUR?

A

Als er doorbraakinfecties zijn of als er achteruitgang is van de nierfunctie.