Week 9 Flashcards

1
Q

Wat is een craniosynostose?

A

Een vroegtijdige sluiting van een schedelnaad.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is een trigonocephalie?

A

Een wigschedel; een punthoofd met een driehoeksvorm van het voorhoofd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

wat is een scaphocephalie?

A

een bootschedel; een bootvormige schedel (lang en smal) door een te vroege sluiting van de sagitaalnaad.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

wat is de diagnostiek voor scaphocephalie?

A
  • veerdistractie
  • open remodellatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is een brachycephalie?

A

Brede schedel; kort en breed hoofd, door een te vroege scheiding van beide coronanaden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is een synostische plagiocephalie?

A

Scheve schedel; scheef hoofd door een te vroege sluiting van één coronanaad (anterieure) of Lambdoïdnaad (posterieur)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

wat is een positionele plagiocephalie?

A

scheef achterhoofd; doordat kinderen te veel op één zijde van het hoofd liggen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

wat is een oxycephalie?

A

multisuturaal probleem (vergroeiing van de coronanaden en sagitaalnaad)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

wat is een triphyllocephalie?

A

Multisuturaal probleem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

wat is het syndroom van apert? Kenmerken?

A

bicoronale craniosynotose
complexe syndactylie handen en voeten
hypoplasie mandibula en middengezicht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

wat zijn kenmerken van het syndroom van crouzon/pfeiffer?

A

bicoronale craniosynostose
terugliggend middengezicht
geen voet- of handafwijkingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

wat zijn kenmerken voor het syndroom van saethre-chotzen?

A

bicoronale craniosynostose
ptosis
oog- en gehoorproblematiek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

wat zijn kenmerken van het syndroom van Muenke?

A

Bicoronale craniosynostose
gehoorproblematiek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

wat is een Cycloop (synopthalmia)?

A

het hebben van één oog, vaak geen goed gevormde neus aanwezig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is hypo- of hypertelorisme?

A

Verkleinde of vergrote afstand tussen de ogen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

operaties hypertelorisme

A
  • u-shaped osteotomy
  • box osteotomy
  • facial bipartition
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

facial cleft

A

aangezichtsspleet; opening gezicht of malformatie van een deel van het gezicht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

wat is er mis bij het Treacher-Collins Syndroom?

A

Een specifieke cleft in de lijnen 6,7,8 volgens de classificatie van Tessier.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

treacher-collins syndroom

A

80% genetische afwijking in TCOF1
autosomaal dominant overervende ziekte
rondom de mond en het oor aangedaan
problemen met de ademhaling en kleinere kin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Ptosis

A

het hangen van het gehele ooglid

21
Q

hoe ontstaat ptosis

A

Door verminderde functie of afwezigheid van m.levator palpebrae.

22
Q

schisis

A

een gespleten lip, hemelte of kaak

23
Q

macrostomie

A

een te grote mond

24
Q

oorzaak macrostomie

A

onderbroken m.orbicularis oris

25
Q

craniofaciale microsomie

A

een aangeboren afwijking aan de onderkaak.

26
Q

Major en minor criteria craniofaciale microsomie

A

major:
- mandibula hypoplasie, microtie, orbita/ossale hypoplasie en problemen met n.facialis

minor:
- weke delen deficiëntie, bijoor, macrostomie, schisis, epibulbair dermoïd en hemivertebrae.

27
Q

pierre robin sequentie Trias

A
  • micrognatie/retrognatie
  • glossoptossis
  • OSAS
28
Q

behandeling Pierre Robin Sequentie

A

Mandibula distractie; device over de mandibula geplaatst welke steeds verder wordt opengedraaid.

29
Q

Torticollis

A

een scheefstand van de nek met fibrosevorming.

30
Q

Oorzaak torticollis

A

Vaak de M.sternocleidomastoideus, waardoor in deze spier littekenvorming optreedt.

31
Q

Mediane/laterale halscyste; oorzaak gevolg en locatie

A

Vaak door foutieve fusie van kieuwbogen
midden hals doordat schildklier afzakt

32
Q

webbed nek

A

verkorte nek

33
Q

pectus excavatum

A

trechterborst, schoenmakerborst
Ingedeukt volume kan leiden tot problemen met de longen en het hart

34
Q

Pectus carinatum

A

kippenborst
Overmatige groei van het ribkraakbeen

35
Q

Wat is het poland syndroom?

A

Sprake van agenesie (onderontwikkeling) van de sternale kop van de m.pectoralis major. Leidt tot hypoplasie borst, tepel en zelfs gehele arm.

36
Q

wat is gynaecomastie?

A

Borstvorming van zowel vet- en klierweefsel bij de man

37
Q

Wat zijn tubulaire borsten?

A

Hierbij zijn de borsten erg klein en puntig

38
Q

wat is spina bfida?

A

Een open rug.

39
Q

hoe en wanneer ontstaat Schisis?

A

Door een verstoring in de ontwikkeling van het gezicht in de eerste drie maanden.

40
Q

Wat kan er zijn aangedaan bij schisis?

A
  • enkel de lip (Cheilo)
  • kaak (gnatho)
  • gehemelte (palato)
41
Q

hoe ontstaat schisis tijdens de embryogenese?

A

Door een foutieve frontonasale ontwikkeling.

42
Q

wat is een cheilognathopalatoschisis?

A

Een verstoring in de fusie van de frontonasale en maxillaire prominentie.

43
Q

een geïsoleerde palatoschisis?

A

Een fusie probleem tussen de palatumgewelven. Moet in week 13-14 gebeuren. vind anterieur naar posterieur plaats.

44
Q

kan schisis worden voorkomen of gezien bij prenatale diagnostiek?

A

kan vaak gevonden worden, maar niet altijd. Het probleem is dat het niet altijd gezien wordt.

45
Q

uit wie bestaat een schisisteam?

A

Multidisciplinair team.
- verpleegkundig specialist, embryoloog, kinderarts, plastisch chirurg, maatschappelijke werker, KNO-arts, logopedist, psycholoog, ortho, kaakchirurg, mondhyg, tandarts, proteist, klinisch geneticus.

46
Q

Wat is het behandelingsdoel?

A

functionaliteit en mooier esthetisch beeld

47
Q

wat is een malrotatie?

A

Een aangeboren afwijking waarbij de darmen verkeerd liggen en waarbij er banden bestaan die zonder dat er makkelijker een Volvulus ontstaat

48
Q

Wat is een volvulus?

A

draaiing van de darm, wat obstructie geeft.