WC 4 Flashcards

1
Q

Eigenschappen van pottenbakkersklei

A

Plasiciteit, sterkte en kleur na het bakken, natuurlijke bijmengingen ect.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Voor meer plasticiteit en beter bewerkbaarheid …

A

Mengen met meer plastische klei
Verweren of rotten (weken in water)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Voor minder plasticiteit en beter constructie van pot…

A

Mengen met minder plastische klei
Toevoegen van niet-platische materialen (mageren/verschralen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Oorsprong van de draaischijf

A

Langzame draaischijf 3500 v. Chr. Nabije Oosten
Snelle draaischijf 3000 v. Chr. in Mesopotamie
Geintroduceerd in Centraal-Europa vanaf de zesde eeuw v. Chr. vanuit het Mediterrane gebied.
Op sommige plekken ten noorden van Vlaanderen pas met de Romeinen.
Handgevormd aardwerk blijft tot ver in de Middeleeuwen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe beschrijf je aardwerk?

A

Vorm
Baksel (zuurstofrijk of zuurstofarm gebakken)
Magering
Oppervlak
Versiering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Vorm (open, halfopen of gesloten)

A

Open vorm: delen van een pot hebben een kleinere diameter dan de rand.
Halfopen vorm: diameters rand en bijv. diameter schouder zijn gelijk.
Geslotenvrom: delen van de pot hebben een grotere diameter dan de rand.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Baksel: zuurstofrijk of zuurstofarm gebakken

A

Klei verkleurd bruin-oranje-geel = zuurstof
Klei verkleurt grijs-zwart = geen zuurstof

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Lineair Bandkeramiek 5300-4900 v. Chr. VNEO

A

Incrustatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Swifterband 5000-3400 v. Chr. MNEO A

A

Bolle of puntbodem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Trechterbeker 3400-2850 v. Chr. MNEO

A

Veel vormen
Kraaghalsflesjes
Diepsteek versiering
Witte incrustatie
Geen nagelindrukken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Vlaardingen aardewerk 3400-2500 v. Chr. MNEO B

A

Kraaghalsflesjes
Kleine doorboringen of indrukjes onder de rand
Meestal onversierd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Enkelgrafcultuur 2800-2400 v. Chr. LNEO A

A

Geen vormenrijkdom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Klokbekeraardewerk 2400-2875 LNEO B

A

Martieme klokbekers: s vorm
Veluwse klokbeker: hoekig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Klokbeker aardewerk bekerpotten 2400-1875 v. Chr. LNEO B

A

.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wikkeldraad aardewerk 1875-1574 v. Chr. BRONSV

A

Wikkeldraadstempel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Hilversum Drakenstein en laren aardewerk 1675-1200 v. Chr. BRONSM

A

Lompe potten met dikke bodem
Ton- en emmervormen
Stafband op de schouder

17
Q

Kummerkeramik 1574-120– v. Chr. BRONSM

A

Ton- en komvormen
Heel vaak niet of nauwelijks versierd

18
Q

Gasteren-urenen 1200-800 v. Chr. BRONSL

A

Holle boven- en onderkant, oortjes op grootste buikomvang

19
Q

Dubbelconische urnen 1200-800 v. Chr. BRONSL

A

Vrije rechte buik en schouder, cilindrische hals, ook afgeknot peervormig, eventueel oren op de schouder

20
Q

Zweihenkige Terrinen 1200-800 v. Chr. BRONSL

A

Driedelig met een conische hals, op overgang schouder/hals twee oortjes
Soms groeflijn op overgang hals naar schouder

21
Q

Kegel-, trechter- en cilinder-urnen 1200-800 v. Chr. BRONSL

A

Bolvormig met ronde schouder en kegelvormige (conische), trechtervormige of cilindervormige hals

22
Q

Hoogkarspel aardewerk 1200-800 v. Chr. BRONSL

A

Dunwandige emmer- en tonvormen, drieledige potten, kommen, schalen en napjes

23
Q

Lappenschalen 1200-500 v. Chr. BRONSL IJZV

A

Schaal met vier of zes uitgetrokken punten
Kalenderberg-patroon

24
Q

Kalenderbergversiering 1200-400 v. Chr. BRONSL IJZM

A

Ton- of emmervorm, potten met hoge afgeronde schouder en iets uistaande korte hals.
Velden met groepen plastische richels, elkaar afwisselend horizontaal of verticaal.

25
Q

Schragrand- en Laufelderaardewerk 800-500 v. Chr. IJZV

A

Brede, lege potten met een naar buiten uitstaande rand en een scherpe buikknik, geen oren
versiering dellen (drie ronde indrukken)

26
Q

Harpstedt-achtig aardewerk 800-200 v. Chr. IJZV IJZM

A

Hoge ronde schouder en iets uistaande rand, ook emmervormen, nooit oren

27
Q

Ruinen-Wommels aardewerk 650-250 v. Chr. IJZV IJZM

A

Bolle potten met ronde schouder en holle hals, soms doorboorde knobbeloortjes op overgang hals/schouder: oudste fase soms met buikknik.
Geometrische lijnversieringk vaak driehoekmotieven
Versiering: incrustratie en dellen (ronde indrukken)

28
Q

Marne aardewerk 500-250 v. Chr. IJZM

A

Hoekige profielen met hoge, trechtervormige hals, kleine, soms holle bodem

29
Q

Late Ijzertijd en Romeinse tijd 250 v. - 450 n. Chr. IJZL

A

Hoge ronde schouder en uitstaande rand verdikte en gefacetteerde randen, nu ook engmondige potten

30
Q

Streepband aardewerk 250 v. - 150 n. Chr. IJZL

A

Diverse afgeronde vormen, soms oortjes vanaf de schouder tot net onder de rand.
1-3 groeflijnen op overgang hals/schouder
Versiering soms dellen

31
Q

Terp aardewerk 250 v. - 450 n. Chr. IJZL

A

Diverse afgeronde vormen, soms uitgetrokken oren vanaf de schouder tot op de rand, ook engmondige potten en situlae.
Versiering: dellen

32
Q

Kustaardewerk of briquettage-aardewerk 800-0 v. Chr. IJZ

A

Gootjes, later steeds meet potvormen.
Zacht gebakken (roze-geel van kleur)
Zoutcontainers gemaakt aan de kust en vervoerd naar het oosten en zuiden.