WC 4 Flashcards
Eigenschappen van pottenbakkersklei
Plasiciteit, sterkte en kleur na het bakken, natuurlijke bijmengingen ect.
Voor meer plasticiteit en beter bewerkbaarheid …
Mengen met meer plastische klei
Verweren of rotten (weken in water)
Voor minder plasticiteit en beter constructie van pot…
Mengen met minder plastische klei
Toevoegen van niet-platische materialen (mageren/verschralen)
Oorsprong van de draaischijf
Langzame draaischijf 3500 v. Chr. Nabije Oosten
Snelle draaischijf 3000 v. Chr. in Mesopotamie
Geintroduceerd in Centraal-Europa vanaf de zesde eeuw v. Chr. vanuit het Mediterrane gebied.
Op sommige plekken ten noorden van Vlaanderen pas met de Romeinen.
Handgevormd aardwerk blijft tot ver in de Middeleeuwen.
Hoe beschrijf je aardwerk?
Vorm
Baksel (zuurstofrijk of zuurstofarm gebakken)
Magering
Oppervlak
Versiering
Vorm (open, halfopen of gesloten)
Open vorm: delen van een pot hebben een kleinere diameter dan de rand.
Halfopen vorm: diameters rand en bijv. diameter schouder zijn gelijk.
Geslotenvrom: delen van de pot hebben een grotere diameter dan de rand.
Baksel: zuurstofrijk of zuurstofarm gebakken
Klei verkleurd bruin-oranje-geel = zuurstof
Klei verkleurt grijs-zwart = geen zuurstof
Lineair Bandkeramiek 5300-4900 v. Chr. VNEO
Incrustatie
Swifterband 5000-3400 v. Chr. MNEO A
Bolle of puntbodem
Trechterbeker 3400-2850 v. Chr. MNEO
Veel vormen
Kraaghalsflesjes
Diepsteek versiering
Witte incrustatie
Geen nagelindrukken
Vlaardingen aardewerk 3400-2500 v. Chr. MNEO B
Kraaghalsflesjes
Kleine doorboringen of indrukjes onder de rand
Meestal onversierd
Enkelgrafcultuur 2800-2400 v. Chr. LNEO A
Geen vormenrijkdom
Klokbekeraardewerk 2400-2875 LNEO B
Martieme klokbekers: s vorm
Veluwse klokbeker: hoekig
Klokbeker aardewerk bekerpotten 2400-1875 v. Chr. LNEO B
.
Wikkeldraad aardewerk 1875-1574 v. Chr. BRONSV
Wikkeldraadstempel
Hilversum Drakenstein en laren aardewerk 1675-1200 v. Chr. BRONSM
Lompe potten met dikke bodem
Ton- en emmervormen
Stafband op de schouder
Kummerkeramik 1574-120– v. Chr. BRONSM
Ton- en komvormen
Heel vaak niet of nauwelijks versierd
Gasteren-urenen 1200-800 v. Chr. BRONSL
Holle boven- en onderkant, oortjes op grootste buikomvang
Dubbelconische urnen 1200-800 v. Chr. BRONSL
Vrije rechte buik en schouder, cilindrische hals, ook afgeknot peervormig, eventueel oren op de schouder
Zweihenkige Terrinen 1200-800 v. Chr. BRONSL
Driedelig met een conische hals, op overgang schouder/hals twee oortjes
Soms groeflijn op overgang hals naar schouder
Kegel-, trechter- en cilinder-urnen 1200-800 v. Chr. BRONSL
Bolvormig met ronde schouder en kegelvormige (conische), trechtervormige of cilindervormige hals
Hoogkarspel aardewerk 1200-800 v. Chr. BRONSL
Dunwandige emmer- en tonvormen, drieledige potten, kommen, schalen en napjes
Lappenschalen 1200-500 v. Chr. BRONSL IJZV
Schaal met vier of zes uitgetrokken punten
Kalenderberg-patroon
Kalenderbergversiering 1200-400 v. Chr. BRONSL IJZM
Ton- of emmervorm, potten met hoge afgeronde schouder en iets uistaande korte hals.
Velden met groepen plastische richels, elkaar afwisselend horizontaal of verticaal.
Schragrand- en Laufelderaardewerk 800-500 v. Chr. IJZV
Brede, lege potten met een naar buiten uitstaande rand en een scherpe buikknik, geen oren
versiering dellen (drie ronde indrukken)
Harpstedt-achtig aardewerk 800-200 v. Chr. IJZV IJZM
Hoge ronde schouder en iets uistaande rand, ook emmervormen, nooit oren
Ruinen-Wommels aardewerk 650-250 v. Chr. IJZV IJZM
Bolle potten met ronde schouder en holle hals, soms doorboorde knobbeloortjes op overgang hals/schouder: oudste fase soms met buikknik.
Geometrische lijnversieringk vaak driehoekmotieven
Versiering: incrustratie en dellen (ronde indrukken)
Marne aardewerk 500-250 v. Chr. IJZM
Hoekige profielen met hoge, trechtervormige hals, kleine, soms holle bodem
Late Ijzertijd en Romeinse tijd 250 v. - 450 n. Chr. IJZL
Hoge ronde schouder en uitstaande rand verdikte en gefacetteerde randen, nu ook engmondige potten
Streepband aardewerk 250 v. - 150 n. Chr. IJZL
Diverse afgeronde vormen, soms oortjes vanaf de schouder tot net onder de rand.
1-3 groeflijnen op overgang hals/schouder
Versiering soms dellen
Terp aardewerk 250 v. - 450 n. Chr. IJZL
Diverse afgeronde vormen, soms uitgetrokken oren vanaf de schouder tot op de rand, ook engmondige potten en situlae.
Versiering: dellen
Kustaardewerk of briquettage-aardewerk 800-0 v. Chr. IJZ
Gootjes, later steeds meet potvormen.
Zacht gebakken (roze-geel van kleur)
Zoutcontainers gemaakt aan de kust en vervoerd naar het oosten en zuiden.