Vocabulary - Part 6 Flashcards
Pieces of
Stukjes
Metal
Metaal
Possible
Mogelijke
Because of
Vanwege
Air traffic
Vlieg Verkeer
Furniture Business
Meubel Zaak
To celebrate
Felicitereed
Lay out
Inrichting
Coffee table
Saloon tafel
Side tables
Bijzet tafels
Study / office table
Bureau tafel
Study room
Studeer Kamer
Very expensive
Echt duur
Sale
Uitverkoop
Experience
Ervaring
2500
Five en tweintig hunderd
Negotiation
Onderhandeling
Curtains
Gordijnen
To measure
Meten
No questions
Geen Vragen
OV chipkart
Open baar Vervoer (Public transport)
To step in
Stapen
To check in
Checken
About
Aan
A couple of
Een paar
Couple
Paar
To forget
Vergeten
again
weer
How foolish
Wat dom
Have cost
gekost
To do
Doet
My car is broken. It is not working
Mijn auto is kapot. Hij doet het niet.
Here “to do” is keeping it generic, instead of specific verb
She puts her card in the bag
Zij doet ze kaart in haar tas
To step out
Uitstappen
The pole / the stand
De paal
Happens
Gebuert
at
met (in some contexts)
To hear
Hoorden
to pick up
Halen
To hold or to keep
Houden
To turn around
Draaien
Draai / Draait / Draaien
which word can be used to objectify “de words”
Hij
Wrong
Verkeerd
Bank card
Bank pas
Embarassed (dutch phrase to say “my face turned red”)
Hoofd wordt rood
Bad card
Rotkart
To let
Laten
Laat / laat / Laten
To Loose
Los
To pass over / to go by
Bijgaan
To pas over the car
bijgaan auto
Let us go
Laat wij gaan