Grammatica - Part 2 Flashcards
which modal to use when making a proposal
Use Zullen
Permission or rule
Use Mogen
Mogen and niet
cannot be used together
My keys must be in the car
Mijn sleutels moeten in de auto zijn
My friend can speak 6 languages
Mijn vriend kan zes talen spreken
We have to wear a uniform at work
We moeten een uniform bij werk dragen
May I reserve a table for 4 people tonight
Mag ik vanavond een tafel voor 4 mensen reserveren ?
Yes, that is possible. Will you come around 7 PM
Ja, dat is mogelijk. Wilt U rond 7 uur in de avond komen ?
May I go early, today please ?
Mag ik ga vroeg / eerdier gaan, alsjeblieft ?
He shall go to the party tomorrow at 5 PM with his friends
Hij zal morgen om 17 uur met zijn vrienden naar het feest gaan
Indicative words (but these are not conjunctions)
Eerst (First)
Vervolgens (There after)
Dan (Then)
Daara (afterwards)
Tenslotte / Aan het eind (finally)
Describe going to Hema
Eerst ik ga naar de Hema
Vervolgens park in mijn auto
Dan neem ik een mandje
Daarna koop ik het brood en een taart
Tenslotte betaal ik bij de kassa
Observations:
Inversion of time is being used
Explaining sequence of activities
Explaining from start to end
Explain going to office
Eerst fiets ik naar mijn kantoor
Vervolgens plaats ik nijn fiets bij de fietsenstal
Dan ga ik binnen mijn kantoor
Daarna zeg ik hallo aan mijn collegas
Tenslotte neem ik een kopje koffie bij het koffiehoek.
Krantenkoppen
Newspaper headlines
om + …. te + infinief
imp part of sentence construction;
Helps in expressing a purpose
in order to
om .. te
We are going to Amsterdam to visit museum
We gaan Amsterdam om het museuem te bezoeken
here om het is explaining the purpose of visit
I use the duo lingo App in order to learn dutch
Ik gebruik de duo lingo App om het nederlands te leren
Important: For Waroom questions, which is very useful
om..te
We eat fresh fruits and vegetables in order to stay healthy
Wij eten verse fruit en groente om gezhond te blijven
They are going to India to visit their parents
Ze gaan naar India om hun ouders te bezoeken
My friend uses her red car in order to go to fitness club
Mijn vriend gebruikt haar rode auto om naar het fitness club te gaan
Maria cycles everyday to go to her school
Marija fietst elkedag om naar haar school te gaan
Can you help me to cook sphagetti
Kun je mij helpen om sphagetti te koken
He uses a knife to cut the vegetables
Hij gebruikt een mes om de groente te snijden
I use a laptop in order to write my mails
Ik gebruik een laptop om mijn mails te schrijven
They drive next month with their friends to go to Maastricht
Ze rijden naast maand met hun vrinden om naar Maastricht te gaan
The team leader sends an email to register for Agile training
De team leider stuurt een email om agile training te registereen
You have to practice daily in order to learn good dutch
Je moet elkedag oefenen om goed nederlands te leren
Can you write a paragraph to describe your vacation
Kun je een alinea schrijven om jou vacantie te beschrijven
Shall we go by the train to visit keunkenhof
Zullen we met de trein gaan om naar keukenhof te bezoeken
Peter goes to malta to meet his new clients
Peter gaat naar malta om zijn niewe klanten te ontmoeten
The plumber comes to repair the tap
De loodgieter komt om de kraan te repareren
Note: Naar not required here as there is no specific direction
Usage of geen / niet:
Mijn opa is heel blij
Mijn opa is niet heel blij
Usage of geen / niet:
Wij eten voldende groente en fruit
Wij eten geen voldende groeten en fruit
Usage of geen / niet:
Woont u in Utrecht ?
(Give response)
Ik woon niet in Utrecht
Usage of geen / niet:
Gaan Jullie naar de markt (Give response)
Ik ga niet naar de markt
Usage of geen / niet:
Vind je nederlands leuk ?
(give response)
Ik vind nederlands niet leuk
Usage of geen / niet:
Heb je een fiets ?
(give response)
Nee, ik heb geen fiets
France
Frankrijk
Prepositions
Voorzetsels
Preposition of place
Voor (in front of)
The car stands before my garden
De auto staat voor mijn tuin
On
Op
At
Bij
To / towards
Naar
Inside
In
In (bigger place)
Wij wonen in Amsterdam
Preposition of time
Established time (Hours, months, days, seasons)
Op: Op Zaterdag
Om: Om 11 uur
In: In de winter
Period of time
Sinds (Since): Sinds Vrijdag
Woor (for): Wijn gaan voor 3 dagen
Van - tot: Van morgen tot vrijdag heb ik examens
Binnen (within): Binnen 14 dagen mag u ruilen
Tussen: Vrijdag en Zonda zij
Fixed prepositions (B level)
Wacht op: Wait for
Invloed op: Influence upon
Bang voor: Afraid of
Gebrek aan: Short of