Grammatica - Part 1 Flashcards
Demonstratives
Aanwijzend Voornaamworden
This / That
Deze
These / Those
Dit
Deze
Both singular (this) and plural (these)
This
Dit
That
Dat
When to use Deze (This & those), Die (that & those)
for De words
Ex: De Jongen –> Deze Jongen –> Die Jongen
When to use Dit & dat
for het words
Het huis –? Dit huis –> Dat huis
These flowers are white
Deze blomen zijn wit
Those people have 3 houses
Die mensen hebben drie huizen
This organization is old
Deze organization is oud
Modal verbs (Modaal Workwoorden)
Can, Shall, May, Must, Will
Can
Kunnen
Ik –> Kan
Je / Jij –> Kan / Kunt
Hij / Zij / Het –> Kan
Wij / Ze / Jullie –> Kunnen
Shall
Zullen
Ik –> Zal
Je / Jij / U –? Zal / Zult
Hij / Zij / Het –> Zal
Plurals –> Zullen
May
Mogen
Ik –> Mag
Je / Jij / U –> Mag
Hij / Zij / Het –? Mag
Plural words –> Mogen
Want
Willen
Ik –> Wil
Je / Jij / U –> Wil / Wilt
Hij / Zij / Het –> Wil
Plurals –> Willen
Must
Moeten
Ik –> Moet
Je / Jij / U - Moet
Hij / Zij/ Het – Moet
Plurals – Moeten
Safa must walk to the school
Safa moet naar de school lopen
Peter wants to learn drawing
Peter wil tekening leren
He must read the book today
Hij moet vandaag het boek lezen
She must cook daily in her house
Zie moet elkedag in haar huis koken
You may come to the meeting tomorrow
Je mag morgen naar de vergadering komen
Marie has to write that article this weekend
Marie moet dit weekend dat artikel schrijven
He wants to visit Paris this month
Hij wil deze maand naar Parijs bezoeken
Dag, week, month
de words (De Maandag, De April etc)
Weekend and Jaar
Het words
Kunnen
Can (ability to do something)
Zullen
Shall (always in future)
Moeten
Must / has to / have to
Mogen
To be allowed to
Willen
To want
I shall call you tomorrow
Ik zal morgen je bellen
Vera wants to buy a sofa from Ikea near Utrecht
Vera wil een bank van IKEA kopen vlakbij Utrecht
Marie wants to go to Russia this winter
Marie wil deze winter naar Rusland gaan
My mother wants to cook sphagetti with tomato tonight
Mijn moeder wil vanavond sphagetti met tomaat keuken
You all may write with your pen
Jullie mogen met jouw pen schrijven
Sir, you must come to the police station on monday morning
Meneer, U mogen op maandag ochtend naar het politie bureau komen
When making a proposal
always use Zullen
Shall we go for Coffee
Zullen wij samen koffie drinken ?
Shall we go to visit amsterdam tomorrow
Zullen we morgen naar amsterdam gaan bezoken
Note: 2 infinitive forms allowed in Dutch
Can you dance
Kun je dansen
Can you come to work tomorrow
Kun je morgen komen werken ?
Will you come to work tomorrow
Wil je morgen komen werken
Do you want to drink tea or Cola, sir ?
Meneer, Wilt u thee of coa drinken ?
Maam, May we take the test tomorrow
Mevrouw, Mogen we morgen de toets nemen ?
Is that allowed ?
Mag dat ?
I want to parl my car here. Is that allowed
Ik wil mijn auto parkeren. Mag dat ?
Do you want to study biology ?
Wil je biologie studeren ?