Vocabulary - Part 2 Flashcards
The roof
Het dak
The stairways
De trap
The balcony
Het Balkon
The door knob
De deurknop
drawing
Tekening
The wallpaper
Het behang
The lamination
Het laminaat
The carpet
Her tapijt
The mason
De metselaar
Plaster
Het gips
Gravel
Het grind
To paint (if painting house)
Verven
To pain (detailed painting with kids) or to teach painting
Schilderen
Trip
Reis
To leave
Vertrekken
Less
Weining
That is why / Therefore / So
Daarom
Never
Nooit
Ever
Ooit
To ride car
Autorijden
To pick up
Halen
Due to
door
Sometimes
Weleens
to change over
overstappen
Both
Allebei
By walking / on foot
Te voet
Do you also like to bike ?
Fiets je ook graag ?
Physics
Natuurkunde
Chemistry
Scheikunde
Mathematics
Wiskunde
Knowledge
Kunde
Family (You, spouse & Kids)
Het Gezin
Family (with parents, aunts, opa, oma)
De familie
Theme park
Het attractiepark
Amusement park
Het pretpark
what time do you get up
Hoe laat sta je op ?
To wake up
Opstaan
At what time
Hoe laat
Mostly
Meestal
Awake
Wakker
At once
Meeten
Put on clothes
Aankleden
What / Some (Contextual)
Wat
To change over
Overstappen
So
Dus
How do you travel
Hoe Reis je ?
at least
Tenminste
De tuin is klein. Hij is mooi
Hij is objectifying the de word
Het Huis is klein. Het is mooi
Het is objectifying the het word.
15 min
een kwartier
30 min
Een half uur
45 min
drier kwarter
90 min
anderhalf uur
120 min
twee uur
to depart
Vertrekken
to miss
mis
delay
vertraging
to arrive
aankomen