Verbs Flashcards
aanbieden
to offer
Hij biedt hulp aan. (He offers help.)
aankomen
to arrive
De trein komt om 10 uur aan. (The train arrives at 10 o’clock.)
aanpassen
to adjust
Je moet je snel aanpassen. (You need to adjust quickly.)
aantrekken
to attract / to wear
Ze trekt een jas aan. (She puts on a jacket.)
aanvragen
to apply for
Ik heb een visum aangevraagd. (I applied for a visa.)
aangeven
to indicate
Hij gaf aan dat hij ziek was. (He indicated that he was sick.)
achterblijven
to stay behind
Hij bleef na de les achter. (He stayed behind after class.)
achterhalen
to find out
Ze probeert de waarheid te achterhalen. (She is trying to find out the truth.)
afhangen
to depend
Het hangt van het weer af. (It depends on the weather.)
afmaken
to finish
Ik maak mijn werk af. (I am finishing my work.)
afnemen
to decrease
De temperatuur neemt af. (The temperature is decreasing.)
afsluiten
to close / to seal
De straat werd afgesloten. (The street was closed.)
afspreken
to agree / to arrange
We spreken morgen af. (We are meeting tomorrow.)
afwachten
to wait
We wachten het resultaat af. (We are waiting for the result.)
afzien
to give up
Hij heeft afgezien van de reis. (He gave up on the trip.)
begrijpen
to understand
Ik begrijp wat je bedoelt. (I understand what you mean.)
bekijken
to view / to observe
Ik bekijk de foto’s. (I am looking at the photos.)
beloven
to promise
Ik beloof je te helpen. (I promise to help you.)
bellen
to call (by phone)
Ik bel je later. (I’ll call you later.)
behouden
to retain
Ze willen de traditie behouden. (They want to retain the tradition.)
bepalen
to determine
Wij bepalen de regels. (We determine the rules.)
beschermen
to protect
De wet beschermt burgers. (The law protects citizens.)
bespreken
to discuss
We bespreken het plan. (We are discussing the plan.)
bestaan
to exist
Zulk gedrag bestaat niet meer. (Such behavior no longer exists.)
bevestigen
to confirm
Ze bevestigden hun komst. (They confirmed their arrival.)
bevorderen
to promote
Dit project bevordert innovatie. (This project promotes innovation.)
bewegen
to move
De bladeren bewegen in de wind. (The leaves are moving in the wind.)
bezoeken
to visit
Wij bezoeken onze familie. (We are visiting our family.)
bieden
to offer
Hij biedt zijn excuses aan. (He offers his apologies.)
bijhouden
to keep up
Ik kan het tempo niet bijhouden. (I can’t keep up with the pace.)
binnenkomen
to come in
Kom binnen! (Come in!)
bijdragen
to contribute
Ze draagt bij aan het succes. (She contributes to the success.)
bijwonen
to attend
We woonden de vergadering bij. (We attended the meeting.)
breken
to break
Hij breekt het glas. (He breaks the glass.)
brengen
to bring
Ik breng je naar school. (I’ll bring you to school.)
bouwen
to build
Ze bouwen een nieuw huis. (They are building a new house.)
draaien
to turn
De aarde draait om de zon. (The earth turns around the sun.)
drinken
to drink
Ik drink graag koffie. (I like drinking coffee.)
duwen
to push
Hij duwde de deur open. (He pushed the door open.)