Van alles Flashcards

1
Q

Vanaf wanneer is er kindersterfte?

A

Overlijden voor 5 jaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is de neonatale periode

A

De 1e 28 dagen na geboorte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zijn oorzaken van overlijden in de neonatale periode?

A

1e 12 u: immaturiteit
Na 60-90 dagen: longproblemen/infecties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is een belangrijk probleem bij vroeggeboorte

A

Ontbreken surfactant

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waaruit bestaat surfactant en waardoor wordt het geproduceerd

A

Uit lipiden & proteinen, geproduceert door type 2 pneumocyten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is de functie van surfactant?

A

Verlaging van oppervlaktespanning in alveoli

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Onder welke biochemie vallen deze MZs: PKU, MSUD

A

Aminozuurmetabolisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Onder welke biochemie vallen deze MZs: Galacotsemie, glycogeenstapelingsziekten

A

Koolhydraatmetabolisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Onder welke biochemie vallen deze MZs: MCADD, carnitine-deficiënties

A

Vetzuurmetabolisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Onder welke biochemie vallen deze MZs: Ziekte van Gaucher, Pompe

A

Lysosomale stapelingsziekten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Onder welke biochemie vallen deze MZs: Leigh-syndroom

A

Mitochondriaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Onder welke biochemie vallen deze MZs: Ziekte van Zellweger

A

Peroxisomale stoornissen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn kenmerken van PKU en behandeling?

A

Verstandelijke beperking, blond, microcefalie, epilepsie. Behandeling met dieet: phenylalanine-arm & tyrosine-suppletie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke MZs zijn X-gebonden en geven geen symptomen aan hun dragers?

A

Menkes, Hunter (MPS II), Lesch-Nyhan, X-linked ichthyose, G6PD- deficientie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welke MZs kunnen soms symptomen geven bij dragers?

A

Ziekte van Fabry, creatine-transporter defect, adrenoleukodystrofie, OTC-deficientie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welke MZ geeft een muffe geur?

17
Q

Welke MZ ruikt naar maple syrup?

18
Q

Welke MZ ruikt naar zweetvoeten?

A

Isovaleriaanacidurie

19
Q

Welke MZ ruikt naar kool/verzuurde boter

A

Tyrosinemie type I

20
Q

Welke MZ ruikt naar rotte vis

A

Trimethylaminuria

21
Q

Hoe beinvloedt het tijdstip van expositie de ernst van afwijkingen?

A

1e trim: 15-20% ernstig, 2e trim: 25-30% ernstig, 3e trim: 60% ernstig

22
Q

Welke afwijkingen kan congenitale rubella veroorzaken?

A

Glaucoom, cataract, hartafwijkingen, gehoorverlies, mentale retardatie

23
Q

Welke afwijkingen kan vit A veroorzaken bij hoge dosis (3e-5e week)

A

Craniofaciale afwijkingen, schisis, neurale buisdefecten, nierafwijkingen

24
Q

Wat is het a priori risico?

A

Risico op dragerschap van een genetische aandoening op basis van de stamboom

25
Q

Welke infecties kunnen transplacentair worden overgedragen?

A

Listeria monocytogenes, toxoplasma gondii, CMV

26
Q

Welke infecties worden opstijgend of via de vagina overgedragen

A

GBS, E.coli, herpes simplex

27
Q

Wat zijn kenmerken van een congenitale CMV-infectie?

A

Lab: thrombocytopenie, geconjugeerde hyperbilirubinemie, verhoogde transaminasen
Kliniek: prematuritas, hepatosplenomegalie, petechiae, icterus, neurologische afwijkingen

28
Q

Wat zijn kenmerken van TORCHES?

A

Dysmaturitiet, microcefalie, hepatosplenomegalie, icterus, anemie/thrombocytopenie

29
Q

Wat beinvloedt de absorptie van geneesmiddelen bij neonaten?

A

Verhoogde opname: verhoogde zuurgraad, vertraagde maagontlediging
Verminderde opname: first-pass effect, gastro-oesofageale reflux

30
Q

Welke geneesmiddelen hebben een hogere opname bji neonaten?

A

Zwakke zuren, zoals fenobarbital en fenytoïne

31
Q

Wat zijn de voor en nadelen van rectale toediening?

A

Voordeel: geen first-pass effect
Nadeel: wisselende resorptie, verlies via feces