Thema 6: De theorie van observeren Flashcards

1
Q

Wat is volgens jou een voordeel van het maken van video-opnamen bij een deelnemersobservatie?

A

1.het verkrijgen van aanvullende data die met deelnemersobservatie alleen niet verkregen kunnen worden, bijvoorbeeld zaken die te snel gaan om op het moment zelf goed te kunnen observeren

2.het vastleggen van het onderzoekproces

3.het kunnen checken van mogelijke observatoreffecten

4.het vergroten van de validiteit van de interpretaties van de deelnemersobservatie door de onderzoeker

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke informatie moet je vooraf vaststellen als je een observatie gaat uitvoeren?

A

1.Het bepalen van het object (een persoon, een groep, een dier of een situatie)
2.het tijdstip en de plaats
3. de periode (duratie)
4.de vorm van observatie.
5.De informatie je wil verzamelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Geef een voorbeeld waarbij observatie gebruikt zou kunnen worden in een kwantitatieve studie

A

Een voorbeeld van zo’n meer kwantitatieve, systematische vorm van observeren is het afnemen van een motoriektest bij kinderen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat word bedoeld met het operationaliseren van het te observeren fenomeen tijdens een observatie?

A

Door concrete elementen te beschrijven die wel of niet geobserveerd kunnen worden tijdens de observatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Geef een voorbeeld van geoperationaliseerd gedrag.

A

gedragselementen:contact zoeken, elkaar aankijken, elkaar aanraken, samen spelen.

Bij deze gedragselementen kun je letten op frequentie, duur, richting en intensiteit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is time-sampling?

A

Bij time-sampling registreer je gedrag op een tijdschaal. Er zijn twee varianten: (a) puntscoring en (b) samenvattende scoring.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is time-sampling:puntscoring ?

A

Bij puntscoring bepaal je op vastgestelde tijdstippen wat er op die momenten (‘punten’) gebeurt. Een voorbeeld van puntscoring is een observatie waarbij om de tien seconden wordt vastgesteld of de leerkracht op dat moment aan het woord is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is time-sampling: samenvattende scoring?

A

Bij samenvattende scoring vat je op vooraf vastgestelde tijdstippen samen wat er tijdens voorafgaande tijdsintervallen is gebeurd. Een voorbeeld van samenvattende scoring is een observatie waarbij elke vijf minuten wordt vastgesteld welke activiteit tijdens een rekenles is uitgevoerd in de voorafgaande vijf minuten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is event-sampling?

A

Bij event-sampling observeer je gedurende een periode hoe vaak bepaald gedrag voorkomt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wanneer is een observatie van toegevoegde waarde tijdens een studie?

A
  1. Processen die te complex zijn om te beschrijven.
  2. Onbewuste of instinctieve acties observeren
  3. Interacties met de omgeving
  4. Bij het vermijden van sociaalwenselijk antwoorden.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Beschrijf het Participant-observer spectrum

A

Volledig participant: Deelnemen aan de groep.
Participant-observer: Naast de groep staan
Oberver-participant: Aanwezig maar interacteerd niet
Volledig observer: Aanwezigheid heeft minimale invloed op de groep.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is het verschil tussen een coverte en een overte observatie?

A

Bij een overte observatie zijn de geobserveerde personen op de hoogte van het feit dat ze worden geobserveerd door een onderzoeker.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Welke 3 punten zijn belangrijk bij het maken van notities tijdens veldwerk (observatie)

A
  1. Richt je op het beantwoorden van de onderzoeksvraag.
    2.Wees zo inclusief mogelijk
  2. Wees concreet in je beschrijvingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is het meetinstrument bij een observatie?

A

De onderzoeker zelf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welke 3 elementen moeten de veldnotities bevatten?

A
  1. Gedetaileerde beshrijvingen.
  2. Analytisch commentaar over de observatie
  3. Subjectieve reflecties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly