Thema 5 Flashcards
Overstap naar endothermie/warmbloedigheid
Kost veel energie, dus veranderingen in het maagdarmstelsel. Ook de huid en respiratie veranderen.
Mechanische vertering
Kauwen, slikken of mengen. Kleinere stukken maken zodat er meer oppervlak is voor enzymen voor verdere vertering
Enzymatische vertering
Afbreking van voedsel tot nutriënten die we op kunnen nemen
Verschil vertering en fermentatie
Vertering: kunnen we zelf afbreken/verteren.
Fermentatie: kunnen we zelf niet verteren, dus hebben we micro-organisme voor.
Onderdelen die ontstaan uit de voordarm (eerste deel oerdarm)
Pharynx, luchtwegen, slokdarm, maag, twaalfvingerige darm/duodenum, lever, pancreas/alvleesklier
Onderdelen die ontstaan uit de middendarm (tweede/middelste deel oerdam)
Dunne darm (duodenum, jejunum en ileum) & dikke darm (cecum/blinde darm, colon ascendens en 2/3 deel colon transversum)
Onderdelen die ontstaan uit de einddarm (derde/laatste deel oerdarm)
Dikke darm (1/3 colon transversum en colon descendens) en cloaca
Stomodeum
Voorloper van de mondholte. De mondholte is ectoderm wat naar binnen vouwt, de oropharyngeale membraan gaat later in regressie (nog een boog aan zijkanten over).
Proctodeum
Voorloper van anus. Ontstaat door binnenvouwing van het ectoderm membraan.
Primair gehemelte
Eerste scheiding van de mondholte, zodat een neus- en mondholte wordt. Daarna vormt definitieve scheiding, die voor hard en achter zacht is.
Nasopharynx, oropharynx en laryngopharynx
Neus-keel, mond-keel, strottehoofd-keel
Homodont vs heterodont (gebit)
Homo: alle tanden zijn gelijk van vorm en functie
Hetero: verschillende soorten tanden (snijtanden, hoektanden, kiezen etc.)
Waar zitten welke tanden?
Vooraan snijtanden, daarnaast hoektanden en verder achter kiezen. Vorm verschilt per dieet.
Monophyodont vs diphyodont vs polyphyodont (gebit)
Mono: één set tanden voor je hele leven
Di: twee sets, dus wisselt één keer
Poly: meerdere sets, je kan blijven wisselen
Elodont vs anelodont (gebit)
Elo: voortdurende groei (vaak bij slijtende tanden)
Anelo: beperkte groeiperiode, daarna groeien ze niet meer
Verschil oppervlak gebit
Omnivoor en carnivoor: hele buitenkant is glazuur
Herbivoor: zit vol richels, dus glazuur zit niet over hele tand heen (voor malen)
Functie speekselklieren
Vochtig houden van de mond, voedsel glad en nat maken, geringe vertering.
Voorwaarden aan fermentatie
Groot volume, lange verblijfsduur en een neutrale pH
Verschil foregut en hindgut fermenters
Foregut: vooraan aan het maagdarmkanaal -> in maag
Hindgut: achteraan maagdarmkanaal -> blinde darm of colon
Functie maag
Opslag van voedsel, mechanische en chemische verkleining, afgifte maagzuur
Maag slijmvlies en lumen
Slijmvlies kan eenvoudig of samengesteld zijn (mogelijk fermentatie bij samengesteld klierloos deel). Lumen kan enkelvoudig en meervoudig zijn.
Vogel heeft twee magen en een krop, waarvoor?
Kliermaag (maagsappen toevoegen) en spiermaag (met evt steentjes voedsel verkleinen). De krop is voor voedselopslag, want maag te klein.
Maagdraaiing
Tijdens embryonale ontwikkeling. Twee draaiingen: 90 graden naar links om lengteas en 90 graden om verticale as.
Scheilswortel
Gemeenschappelijke ophanging van de dunne darm, in het midden zit de arteria mesenterica cranialis.
Cecotrofie
Consumptie van ontlasting, want daar zitten veel voedingsstoffen in door hindgutfermenters
Draaiing darm
Draaiing gaat om scheilswortel heen tijdens ontwikkeling embryo. Voor de draaiing zitten de darmen buiten de buikholte omdat ze er niet meer in passen (fysiologische navelbreuk).
Drie delen cloaca van de vogel
Coprodeum (opslag feces), urodeum (openingen ureter en zaad/eileider) en proctodeum (ectodermaal)
Functie gebit carnivoor
Prooi vangen en vasthouden (scherpe hoektanden) en vlees scheuren (knipkiezen)
Functie gebit herbivoor
Planten afsnijden (snijtanden) en vermalen (hobbelige plooikiezen), bij vermalen bewegen de tanden schuin langs elkaar
Kroon en wortel van de tand
Kroon is boven het tandvlees zichtbaar en de wortel zit eronder
Hypsodont vs brachydont (gebit)
Hypso: lange kroon
Brachy: korte kroon
M. masseter en m. temporalis
Masseter: loopt van bovenkaak naar onderkaak, meer ontwikkeld bij herbivoor.
Temporalis: loopt van slaapstreek naar onderkaak, meer ontwikkeld bij carnivoor.
M. digastricus
Spier die de kaak kan openen, deze is niet heel ver ontwikkeld, want zwaartekracht doet al een deel van het werk.
Mandibula
Onderkaak
Glandula parotis en glandula mandibularis
Twee van de drie belangrijke speekselklieren, ze zitten vlak bij de kaakhoeken.
Cavum oris
Mondholte
Onderdelen gehemelte
Palatum durum (hard gehemelte) en palatum molle (zacht gehemelte)
a. mesenterica cranialis
Ligt in scheilswortel, deze levert bloed naar de darmen
Waarom is de blinde darm bij sommige dieren groter?
Bij dieren die fermenteren is een grotere cecum handig, want daar zitten afweer dingen in tegen de micro-organismen
Tepels rat
Vrouwen hebben er twaalf en mannen geen
Arteria carotis communis
Gemeenschappelijke halsslagader
Arteria subclavia
Voorzien vooral de armen van bloed
Truncus pulmonaris
Longslagader, voor de splitsing naar linker en rechter long
M. pectoralis en de m. supracoradoideus (vogel)
Voor vliegen. Pectoralis is groter omdat die meer kracht moet geven om te kunnen vliegen
Voordelen respiratiesysteem van de vogel met luchtzakken
(Er is geen dode ruimte doordat) er éénrichtingsverkeer is, zo wordt er minder zuurstof weer uitgeademd
Septum posthepaticum
Bedekt de organen in de buikholte aan de ventrale zijde bij vogels