Nouns Flashcards
fork
vork
fair
kermis
teacher
docent
page
bladzidje
course
de curses
answer, reply
antwoord
time
tijd
expression (on his face)
uitdrukking
replacement
vervanging
advantage
voordeel
disadvantage
nadeel
injured
mankeerde
formerly, in the early days
vroeger
dream
droom
sound
klank
turn (it is your turn)
beurt
each other
elkaar
hiking trip
wandelreis
a strike, a blow
slag
section
doorsnede
neighbour (female)
buurvrouw
floor (as in - the third floor)
verdieping
upstairs
boven
opposite
passer by
voorbijganger
case (in court)
zaak
regards, greetings
groeten
unknown
onbekende
relaxation
ontspanning
area
gebied
belief, faith
geloof
age
leeftijd
duration
duurt
misfortune, accident
ongeluk
sorrow, sadness
verdriet
shed
schuur
promise, pledge
belofte
war
orlog
adolescent
puber
amount
het bedrag
both (pronoun)
beide
amount, quantity
hoeveelheid
row
rij
column
kolom
coin
muntgeld
equipment, tool
gereedschap
motion
beweging
christmas
kerst
christmas dinner
kerstdiner
marriage
huwelijk
weight
gewicht
journey, trip
reis
joke
grapje
landscape
landschap
mountain
berg
nature reserve
natuurgebied
painting
schilderij
public transport
het openbaar
meadow, pasture
de wei
cloud
wolk
seagul
meeuw
river
rivier
sailing club
zeil club
wood, forest
woud
jungle
oerwoud
hill
heuvel
destination
bestemmig
travel memory
reisherinnering
order, sequence
volgorde
mood, atmosphere
stemming
story
verhaal
class, grade
rang
autumn
herfst
tip
fooi
alarm clock
de wekker
darling, treasure
de schat
island
eiland
examination
het tentamen
history
de geschiedenis
fault, malfunction
de storing
data
gegevens
sweetheart
de lieverd
meeting
vergadering
housemates
huisgenoten
mortgage
hypotheek
maths
wiskunde
plumber
loodgieter
spike, spine
stekel
such (pronoun)
zulk (zulk lekker)
zip
rits
submarine
onderzeeer
culprit, offender
dader
thier
de dief
leather
leer