Kim1 Flashcards
1
Q
Researcher
A
De onderzoeker
2
Q
Research
A
Het onderzoek
3
Q
The result
A
Het resultaat
4
Q
To apply
A
Solliciteren
5
Q
To earn
A
Verdienen
6
Q
To differ
A
Verschillen
7
Q
To spend (time??)
A
Besteden aan
8
Q
Choice
A
De keuze/ keus
9
Q
Behaviour
A
Gedrag
10
Q
Personal
A
Personlijk
11
Q
To cook
A
Koken
12
Q
The pub
A
De kroeg
13
Q
The theatre
A
Het toneel
14
Q
Unfortunately
A
Jammer genoeg
15
Q
Crazy about…
A
Gek (zijn op)
16
Q
I’d rather not answer that
A
Daar geef if liever geen antwoord op
17
Q
I hate…
A
Daar heb ik een hekel aan…
18
Q
I’m crazy about…
A
Daar ben ik gek op
19
Q
Dentist
A
De tandarts
20
Q
Difference
A
Het verschil
21
Q
To marry
A
Trouwen
22
Q
To trust
A
Vertrouwen
23
Q
Wedding
A
De bruiloft
24
Q
Marriage
A
Huwelijk
25
Q
Single ( not married)
A
De vrijgezel
26
Q
Living together (not married)
A
Hokken
27
Q
Church
A
De kerk
28
Q
Impressive
A
Indrukwekkend