Hoofdstuk 14 Flashcards

1
Q

Pas op!

verb phrase

A

Be careful! Watch out!

verb phrase

pas op dat je het er niet afgooit
(take care that you don’t knock it over)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

breekbaar

adjective

A

breakable, fragile

adjective

Ik hoop dat deze niet breekbaar zijn.
(I hope these aren’t breakable.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

eetbaar

adjective

A

edible

adjective

Alleen het geelgroene vruchtvlees van de avocado is eetbaar.
(Only the yellow-green flesh of the avocado is edible.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

begrijpelijk

adjective

A

understandable

adjective

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

hinderlijk

adjective

A

annoying

adjective

Zijn gedrag is hinderlijk.
(He makes a nuisance of himself.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

onvergetelijk

adjective/adverb

A

unforgettable, never to be forgotten

adjective/adverb

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

spaarzaam

adjective/adverb

A

frugal, thrifty

adjective/adverb

een spaarzame huisvrouw
(a thrifty/frugal housewife)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

de stroom

noun

A

the electricity
the stream, flow

noun

een broodrooster gebruikt veel stroom
(a toaster uses a lot of electricity)

de stroom vakantiegangers
(the stream of tourists)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

leerzaam

adjective/adverb

A

informative, instructive

adjective/adverb

een leerzame ervaring
(a valuable experience)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

hinderen

verb

A

to annoy

verb

Hindert het u als ik rook?
(Does it bother you if I smoke?)

de lage zon hindert de automobilisten
(the low sun is a nuisance to motorists)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

het lijk

noun

A

the corpse

noun

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

het onderdeel

noun

A

the part

noun

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

beweegbaar

adjective

A

moveable

adjective

Deze onderdelen van de auto zijn beweegbaar.
(These parts of the care are moveable/can be moved.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

beweeglijk

adjective

A

lively, active

adjective

Mijn kinderen zijn vandaag erg beweeglijk.
(My children are very lively today.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

erven

transitive verb

A

to inherit

transitive verb

zij heeft haar vaders uiterlijk geërfd
(she has inherited her father’s looks)

Gedweeën zullen de aarde niet erven.
(The meek shall not inherit the earth.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

erfelijk

adjective/adverb

A

inheritable, genetic

adjective/adverb

erfelijke eigenschappen
(hereditary qualities)

erfelijk recht/bezit
(hereditary right/property)

17
Q

de bamboe

noun

A

the bamboo

noun

18
Q

buigen

intransitive verb

A

to flex, bend
to bow

intransitive verb

voor iemand buigen
(bow to someone)

plastic buigt gemakkelijk
(plastic bends easily)

19
Q

buigzaam

adjective

A

flexible

adjective

Bamboe is erg buigzaam.
(Bamboo is very flexible.)

20
Q

leesbaar

adjective, adverb

A

legible, readable

adjective, adverb

een heel leesbaar boek
(a very readable book)

een leesbaar handschrift hebben
(to have legible handwriting)

21
Q

het handschrift

noun

A

the handwriting

noun

een leesbaar handschrift hebben
(to have legible handwriting)

22
Q

ongelofelijk

adjective/adverb

A

incredible

adjective/adverb

Hij kan ongelooflijke verhalen vertellen.
(He can tell incredible stories.)

dat heeft ons ongelofelijke moeite gekost
(that has cost us an incredible amount of trouble)

23
Q

opmerkzaam

adjective/adverb

A

observant, attentive

adjective/adverb

De opmerkzame student ontdekte een fout in het boek.
(The observant student discovered a mistake in the book.)

opmerkzame lezers
(attentive/thoughtful readers)

opmerkzaam zijn
(be observant/mindful)

24
Q

vervroegen

transitive verb

A

to advance, push forward in time

transitive verb

We moeten de begindatum vervroegen.
(We have to move up the starting date.)

25
verharden | intransitive verb
to harden or pave | intransitive verb ## Footnote De buurman *verhardt* de zandweg naast zijn huis met stenen. (The neighbour paved the sandy road by his house with stones.) deze lijm *verhardt* snel (this glue hardens/dries fast)
26
verwarmen | transitive verb
to heat, warm | transitive verb ## Footnote Het wijkcentrum heeft een *verwarmd* buitenzwembad. (The community center has a heated outdoor swimming pool.)
27
de zandweg | noun
the dirt road, sandy road | noun ## Footnote De buurman verhardt de *zandweg* naast zijn huis met stenen. (The neighbour paved the sandy road by his house with stones.) Ons oude huis stond aan een *zandweg*. (Our old house was on a dirt road.)
28
verlagen | transitive verb
to lower, reduce, mark down | transitive verb ## Footnote De winkel moest zijn prijzen *verlagen* om concurrerend te blijven. (The store had to lower its prices to stay competitive.)
29
verbreden | transitive verb
to widen, broaden | transitive verb ## Footnote Vorig jaar *verbreedden* ze de stoep. (Last year, they widened the sidewalk.) Die boeken hebben mijn blik *verbreed*. (Those books have broadened my view.)
30
de stoep | noun
the sidewalk or stoop | noun ## Footnote De slecht geparkeerde fietsen blokkeerden de *stoep*. (The badly parked bicycles blocked the sidewalk.) Hij stond op mijn *stoep*. (He turned up on my doorstep.)
31
versimpelen | transitive verb
to simplify | transitive verb ## Footnote De overheid heeft de procedure *versimpeld*. (The government simplified the procedure.) Hij moest zijn uitleg *versimpelen* voor de kinderen. (He had to simplify his explanations for the children.)
32
vergelen | intransitive verb
to become/make yellow | intransitive verb ## Footnote De papieren waren in de loop der tijd *vergeeld*. (The papers had yellowed over time.)
33
verslechteren | intransitive verb
to get worse, deteriorate | intransitive verb ## Footnote De politieke situatie in Amerika *verslechtert*. (The political situation in America is deteriorating.)
34
de techniek | noun
the technique | noun ## Footnote Ik heb een nieuwe *techniek* geleerd om een fietsband te vervangen. (I learned a new technique for changing a bicycle tire.)
35
verergeren | intransitive verb
to become/make worse | intransitive verb ## Footnote Zijn ziekte *verergert*. (His illness is getting worse.)
36
vermeerderen | intransitive verb
to increase, grow, multiply | intransitive verb ## Footnote De school *vermeerderde* het aantal beschikbare plaatsen. (The school increased the number of available places.) De vraag naar huizen in Groningen is *vermeerderd*. (The demand for houses in Groningen has increased.)
37
verouderen | intransitive verb
to age, grow older | intransitive verb ## Footnote Terwijl hij zieker wordt, *veroudert* hij snel. (As he gets sicker, he is aging rapidly.)