Het eten Flashcards
zajtrk, kosilo, večerja
het ontbijt, de lunch (het middageten), het avondeten (het diner)
zelenjava
groente
sadje
het fruit
het brood, het broodje, boterham
kruh, žemlja (sendvič), toast/rezina kruha
“obloge” za kruh
het broodbeleg
putr, margarina
boter, margarine, halvarine :)
kaas, worst, ham
sir, klobasa, šunka
arašidovo maslo
pindakaas
med
honing
het ei (eieren)
jajca
ovseni kosmiči
havervlokken
juha
soep (rundersoep, groentesoep: erwtensoep, tomatensoep…)
vla, yoghurt, pudding, het ijs
mlečni izdelki:)
taart (met slagroom), het gebak
pica, pecivo
meso, mleto meso, omaka
het vlees, het gehakt, jus/saus
riba
vis
sla
zelena solata
de kool, de bloemkool, de boerenkool,
zelje, cvetača, ohrovt
de spruitjes
brstični ohrovt
(sperzie)bonen
(stročji) fižol
buča
de pompoen
šparglji
asperges
špinača
de spinazie
česen
knoflook
de erwten
grah
korenje
de wortels (het worteltje)
krompir (pečen, kuhan, pire)
aardappels, aardappelen (gebakken, gekookte a., de aardappelpuree)
krompirček, pomfri
patat, frites, friet
pasta, rijst
testenine, riž
češnje
kersen
limona
citroen
druiven
grozdje
jagodičevje
bessen (rode bessen, zwarte bessen, bosbessen)
dranken: de thee, de koffie (een kopje)
pijače: čaj, kava (ena skodelica)
voda
het water
sok
het sap
vino
de wijn
shottttttt
een borrel/borreltje