Hart & bloed P Flashcards
algemene functie hart
boezem = atrium
kamer = ventrikel
links & rechts gescheiden door septum
- gaten in septum = mogelijk
–> ASD = atriaal septum defect & VSD = ventrikel septum defect
zuig-perspomp
- systole = contractie fase: ejectie van bloed uit ventrikels naar bloedvaten
- diastole = relaxatie fase: vullen van ventrikels met bloed
functie = bewegen van bloed
- voedingsstoffen
- nuttige producten
- afvalstoffen
- regeling lichaamstemperatuur
verschil grote & kleine bloedcyclus
kleine = longcirculatie = zuurstof arm bloed door longen sturen = zuurstofrijk maken
–> rechter harthelft
grote = systemische circulatie = zuurstof rijk bloed door gehele lichaam sturen
kleine bloedcyclus
= pulmonaire -
= resperatoire bloedcyclus
= zuurstof arm bloed door longen sturen
–> parallel systeem
1) rechter atrium
2) rechter ventrikel
3) truncus pulmonalis
4) ateria pulmonalis (2) = longen
5) artieren
6) arteriolen = weerstandsvaten
–> receptoren voor acetylcholine & adrenaline = regeling druk
7) capillairen = rond longblaasjes
=> zuurstof arm word zuurstof rijk
8) venulen
9) venen
10) vena pulmonalis (4)
11) linker atrium
grote bloedcyclus
= zuurstof rijk bloed door gehele lichaam sturen
1) linker atrium
2) linker kamer
3) aortha
4) arteriën = geleiding van bloed
5) ateriolen = kleine bloedvaten: veel reactief weefsel tov endotheel & AZS = mogelijkheid tot vasoconstrictie & - dilatatie
6) cappilair = uitwisseling van stoffen
7) venulen
8) venen
9) vena cava -> sinus venosus
lagen in het hart
- endocard
- dunlaagje BW
- overlopen in bloedvaten als endotheel
- productie endothele stoffen - myocard = spieren
- epicard = hartzakje
- coronaire circulatie
- epicarditis = ontsteking
- ophoping vocht = minder compliant & minder krachtige spieren
myocard v/h hart
- cardiomyocyten = contraherend myocard
- centrale kern
- intercallaire schijven = vorming functioneel syncitium door trapstructuur
- ryanodine receptroen = Ca receptoren
- extra Ca vrijgeven bij Ca over DW
- vezelrichting schuin naar kleppen
- links > rechts - pacemaker cellen = gespecialiseerd weefsel
gaten hartskelet
2 AV-ostia = gaten tussen atria & ventrikels
2 uitstroomvaten: longslagader (rechts) & aortha (links)
2 instroomvaten: vena cava = sinus venosus & 4 venae pulmonalis
+ sinus coronarius = bloed voor hartwand
kleppen
kleppen
- vast aan anulus fibrosus = grote druk weerstaan
- 1 vloeirichting, enkel open als druk verschil gewilt is
atrioventnriculaire kleppen = AV-kleppen
- tussen atrium & ventricel
- links = 2 = valvula bicuspidalis = mitralisklep
–> cuspis anterior & posterior
- rechts = 3 = valvula tricuspidalis = tricuspidalisklep
–> cuspis anterior, posterior & septalis
- slippen in ventrikels -> verbonden met chordae tenidineae aan ventrikelspier = papillaire spieren
semilunaire kleppen = SL-kleppen
- tussen ventrikel & uitstroomvaten
- 3 vezelige zakjes
- truncus pulmonalis = valvula anterior, sinister & dextrum
- aortha = valvula posterior, sinister & dextrum
- voorkomen terugstroming = sluiten bij wegval van druk
–> slechte werking kleppen = bloedklonters
gespecialiseerde weefsels hart
- knoop van keith-flack = sinoatriale knoop = SA-knoop = 70BPM
- evolutionair: voorkamer bij zoogzieren = sinusring => rechter atrium naast uitmonding VC
- dominante hartslag - knoop van Ashoff-tawara = atrioventriculaire knoop = AV-knoop = 50BPM
- in rechter atrium naast uitmonding sinus coronarius - bundel van his = 30BPM
- voortzetting AV-knoop
- door anulus fibrosus naar septum
- splitsen in 2 takken: links > rechts = minder spieren - netwerk van purkinje
- effectieve verbinding met cellen: proximaal = kleinere cellen
- aftakking van bundel
- loop terug omhoog naar hart basis
daadwerkelijke automie pacemaker cellen
pacemaker hierarchi
- sneller = hoger = meer centraal
- overgaan van activeringsfront
- verder van SA centrum = trager autonoom ontladen
- primaire pacemakercellen = enkele duizenden in centrum van SA
- secundaire pacemakercellen = al de rest
- AV knoop
- atrium wand = door anulus fibrosus
- weinig gapjunctions = trage geleiding
- verschillen tussen atria & ventrikels reguleren
- bundels van his
- netwerk van purkinje = grote snellen met weinig organellen = snelle geleiding
- gelijkmatige contractie
geen retrograde geleiding mogelijk enkel bij retrograde pathologieën vb: extra systoles bij stress
ECG afleidingen
elektrocadriogram
1) perifere afleiding
- elektroden rond pols = hart meten
- elektrode rond enkel = geruis wegnemen
- waarnemen van grote problemen
2) precordiale afleidingen
- dwars doorsnede hart maken op verschillende niveau’s & alle elektrische activeiten bekijken
- 12 elektroden rond romp
- alle details van hartcyclus zien
delen van ECG
kunnen tekenen
- P-top = depolarisatie van atria
- QRS-complex
- Q-top = depolarisatie septum, bundel van his & deel RV
- R-top = depolarisatie hartpunt = hoogste
- S-top = depolarisatie anulus fibrosus @ hartbasis - T-top
- langste
- repolarisatie ventrikels
- omgekeerde stroomrichting = subepicard -> subendocard = toch positief - PQ-segment
- passage van geleidingssyteem tussen atria & ventrikels
- delay tussen contractia A&V - ST-segment
- verhoging = langdurige depolarisatie
- door ischemie
abnormaliteiten bij ECG
- algemeen
- grotere uitwijkingen door spierdikte
- geen top depolarisatie van atria door geen front, kleine spiermassa & tijden QRS-complex
- timing afh van dromotropie & hartgrootte - tachicardi
- te hoge HF
- kleiner worden R of T-toppen - bradycardi
- te lage HF
- groter worden T-toppen
- stress of slechte werking schildklier - extrasystolen
- extra lange pauze
- veel voorkomen maar weinig invloed
- stress of te weinig beweging - atrimiën = abnormale veranderingen vooral ouderen
instand houden lage (CA) in myocardcellen
1) SR-calciumpomp
- ATP-ase
- Ca van cytoplasma -> SR
- geblokkeerd door cafeïne = hartversterkend
2) sarcolemma-calciumpomp
- ATP-ase
- Ca van cytoplasma -> intersitium (extracellulaire ruimte)
3) Na/Ca-uitwisselaar
- Na influx & Ca refflux met een verhouding van 3:1
- secundair actief transport
–> is afhankelijk van de Na/K-ATP-ase-pomp voor het concentratie gradient te generen
- digoxine = geneesmiddel = hartversterkend
–> Na ophoping in de cel = minder gradient = meer Ca intercellulair = positief inotrope werking
oorsprong Ca
instroom Ca tijdens 2e fase = plateau fase
1) opening L-typ Ca kannaal
2) Ca boven DW
3) binding op ryanodinereceptoren op cisternen van SR
–> naam = gevoeligheid blokkerende stof ryanodine
–> voorkomen in neuronen & spiercellen
4) meer Ca vrijgeven door SR
= calcium induced calcium release
5) 90% SR & 10% instroom
vulling hart tijdens diastole
vulling van atria
1. niet-contracitele structuur
- rekbaarheid = commpliantie = lusitropfie
- intracellulair = cytoskelet
- door reuze eiwit titine: van M tot Z-lijn
- extracellulair = collageen netwerk
- beperkten rekken & diastolische herstelkracht na samentrekking
- uitrekking = aanzuiging van bloed
- drukken voor veneuze terugvloei = appart
vulling van ventrikel
- druk na openen van kleppen
- kleppen 12 sluiten door druk van stroomsnelheid
- samentrekking atriumwanden & rekbaarheid = extra vulling
- leidt tot 10% VEDV in rust & 25% bij activiteit
systolische vulling
= raketprincipe
- samentrekking van ventrikels
- drukstijging in ventrikels
- trekken aan atriawanden
- drukdaling in atria
- aanzuiging van bloed
- linkerharthelft = effectief want lage drukken in longen = grote aanzuiging
- rechter = minder want hoge drukken door zwaartekracht
coronaire circulatie
= voorziening van bloed rond het hart zelf = hartvaten
aanvoer
1) systole = in aortha spuiten & niet door coronaire arterien door de hoge druk
2) einde systole = wegvallen van druk & sluiten van aortha klep
3) bloed valt terug & vult coronaire arterien
hoge druk tijdens ejectie zorgt voor omgekeerde/trage doorstroming in linker ventrikel
afvoer
1) venen & venulen
2) uitmonding in sinus coronarius
3) rechter atrium
gebruik
- energie door vetzuren > glucose > lactaat
- aeroob = snelle effecten van ischemie
- erg beperkte ophoping lactaat
- 75% opname van O2
- rendement = 8-10% & opname van O2 = 5% van HD
regulatie coronaire circulatie
bij verhoogde inspanning
- 4x grotere nood aan O2
- 3x lagere perfusie tijd door hartslag
- linker ventrikel die al heel efficient werkt komt in nood
–> sterke vasodilatatie
1) NO van endotheel
2) reactie op an- & aerobe stofwisseling: pCO2, pO2, lactaat, temp
3) adenosine bij ischemie
–> allemaal gestimuleerd door OS
de hartcylcus
A = snelle diastole door kleppen
1. bloed in atria
2. relaxatie ventrikel
3. isovolumetrische relaxatie = gelijk volume maar daling van volume
4. druk A > V
5. openen van kleppen
6. vulling van ventrikel
B = trage diastrole door compliantie
1. gevuld ventrikel
2. druk A < V
3. kleppen toe
4. atriale systole = contractie
5. extravulling door compliantie
6. VEDV = ventriculair einddiastolisch volume
C = overgang diastole - systole
1. systole = contractie
2. isovolumetische contractie ≈ isometrisch
D = ejectie
1. druk V > uitvloeivaten
2. opengaan van kleppen: linker vroeger door sterkere spier
3. legen van ventrikels
4. sluiten van kleppen: aortha vroeger
5. VESV = ventriculair eindsystolisch volume: rechts groter door langer toe
grootte maten hart
VEDV = ventriculair eind diastolisch volume
VESV = ventriculair eind systolisch volume
SV = slag volume = volume per hartcyclus
- VEDV & VESV
- VEDV x EF
HF = hartfrequentie = chronotropie
—> beinvloed door AZS
HD = hartdebiet = cardiac output = SV x HF = volume per minuut
= inotropie x chronotropie
= (VEDV - VESV) x HF
–> normaal 5,5 l/min
VEDV & VESV
- VEDV
- hoeveel kan max in ventrikels
- afh van
- ventriculaire compliantie = afh van Ca in cytosol ≈ rusttonus
- veneuze capaciteit = omgekeerd evenredig
- kracht van atriale systole - VESV
- normaal = 70%
- onder 50% = hartzwakte
- afh van
- systole arbeid = inotropie
- afterload & perifere weerstand
- nood aan hogere druk vooraleer openen van kleppen = lnager dicht blijven
pathologie van hartcontractie
- hartinfarct
- afsterving myocard = vervanging door BW
- verlaagde soepelheid = lagere vulling - Mg-tekort
- geen werking Serca-pomp
- te hoog Ca in cytosol
- stijfhart = lagere culling - vasoconstrictie
- verhoogde veneuze terugvloei
- hogere preload = hogere VEDV
afterload
≈ perload
= weerstand gegeven door de bloedvaten tegen de systole
afh van
1. diameter = vasoconstrictie/dilatatie
- grotere diameter = minder weerstand
- histamine = maximale dilatatie = minimale weerstand
- viscositeit ≈ hematocriet
- aerobe training = veel = tragere HF
- epo & lipiden kunnen voor overmaat zorgen - bloedvolum vb: sterke stijging bij zwangere vrouw
terminologie hart
- chronotropie = frequentie
- inotropie = kracht
- bathmotropie = exciteerbaarheid
- afh van aantal receptoren & exciteerbaarheid
- beta-blokkers = beta receptoren bezetten & bathmotropie laten dalen - dromotropei = geleidbaarheid
- na hartinfarct = daling vb: rechter takblok
harttonen & gerius
harttonen
1. LUB
- isovolumetrische contractie
- sluiten van AV-kleppen & aantrekking myocard
- punt B van hartcyclus
2. DUB
- sluiten van uitgangskleppen (SL-kleppen)
–> gebeurd ongelijk = splitsing van toon
- punt D van hartcyclus
extra = lichte geluiden & meer hoorbaar bij pathologie
- contractie atria
- opening van AV-kleppen = openklappen van ventrikels door snelle instroom
–> meer bij ouderen
hart gerius
- berust op turbulente flow
–> normaal laminaire flow
- pathologie: diastolisch & systolisch geruis
vb: dun vat, lage hematocriet & lokale vernauwingen
korte termijn regulering hartslag
- intrinsiek = autoregulatie door myocard
- ionen-kanalen voor Ca-uitwisseling
- contractiel membraan
- jong = 100/min & dalen bij ouder worden - extrinsiek = extracardiale regulatie
- effect op SA-knoop
- AZS
- hormonen: VIP, glucagon, T3 & glucocorticoïden
lange termijn regulering hartslag
= veranderingen & vormen & structuur
- harthypertrofie
- toename van spiervezels
- concentrische hypertrofie
- bij drukbelasting - hartdilatatie
- toename lengte van spiervezels
- excentrische hypertrofie
- bij volumebelasting - verhouding
- sporthart = beide toegenomen
- pathologie = 1/2 toegenomen
snelheid invloed AZS
- parasympaticus
- directe lijn door n. vagus = 0,6sec
- rechter = SA-knoop
- linker = AV-knoop
- geen bereik op ventrikels - orthosympaticus
- meer verspreid = 3sec
- vertakt netwerk = grensstreng
- belangerijkste = ganglion stellatum = samen komst T & C
- eigenkant besturen
Frank Starling mechanisme
intrinsieke regulatie van hartslag
totale spanning = actieve spanning + passieve spanning
≈ biomechanica
- actieve spanning = stochastisch
- contractie van de spier
- afh van aantal bindende myosine kopjes
- volledige vulling = onderbelasting = kopjes te ver uit elkaar
- volledige samentrekking = overbelasting = kopjes te dicht bij elkaar
–> range van optimale kracht - passieve spanning
- door elastische elementen
- rek van collageen & titine (reuzeneiwit)
- meer uitrekking = meer potentiele energie
kracht-lengte relatie = heterometrische regulering
- verhouding tussen VEDV & kracht
- meer kracht door grotere uitrekking
- werking per ventrikel
–> grote inademhaling = grotere vulling rechterventrikel maar links geen effect
=> frequentie links/rechts gelijk maar slagvolume niet!
model van starling
- filtratie & reabsorptie
- som van BD & COD aan cappilairzijde & weefsel
- nettopositieve druk = filtratie
- netoonegatieve druk = absorptie - veranderingen in eiwitgehalte = COD
- gereguleerd door albumine
- kan diffunderen uit bloed, afh van soort endotheel meer/minder
- lever & milt = geen COD werkzaam
- subglycocalix ruimte bepaalt aanzuiging vanuit bloed
- 1/10 van plasma = lage COD = hogere filtratie
- enkel bij continu endotheel - veranderingen in bloeddruk
- hogere BD = meer filtratie = veranderen van COD
- eerst hoge filtratie = lymfedrainage
- dan aanzuiging van bloed = absorptie
- overvloedige filtratie niet erg door lymfedrainage
andere heterometrische regulering van het hart
- bowditch-effect
- verhoging contractiekracht bij verhoging hartfrequentie
- verhoogde Ca concentratie in hart - anrep-effect
- verhoogde contractie bij verhoging van afterload
- hogere kracht als tegen grotere druk moet werken
hartslagvariabiliteit
= door AZS
aan constante hartslag is de aftand tussen R-toppen nooit constant
stress = hogere hartfrequentie & lager hartvariabiliteit
rust = lagere hartfrequentie & hogere hartvariabiliteit
3 methodes werking AZS
1) domein specifieke methode ≈ statistiek
- gemiddelde interval
- standaard deviatie
2) slaap
- verschillende stadia
- non-ROM = veel para -> REM minder
- verschillen bekijken
pathologie hartslagvariabiliteit
1) overtraining = dominantere para door overbelasting van othro
–> grote inspanningen niet meer mogelijk
2) diabetes = stereke inflammatoire reactie = dominantere para door overbelasting van othro
lagen van aa.
intima
- endotheel ≈ hart
- basaalmembraan
- elastica interna
media
- gladspierweefsel = dikste laag
- elastica externa = elastisch BW
adventitia = losmazig BW
1) aortha = windketelfunctie
- 2e pompfunctie
- vergrootting door druk = potentiele energie
- druk egaal maken
2) arteriolen = weerstandsvaten
- veel receptoren = vasoreactief
- specifieke drukregeling
–> dikste laag spierweefsel
lagen van cappilairen & vv.
1) cappilairen = uitwisseling van stoffen
- verdwijnen van media & adventitia
- endotheelcellen met pericyten = hulp & deelscontractiel voor kleine contracties mogelijk te maken: alfa & beta receptoren
- communicatie: mechano & barosensoren in endotheel
–> via gapjunctions & paracrien vasoactieve stoffen laten vrijgeven uit pericyten + mogelijkheid tot angiogenese
- speciaal gevormd endotheel
–> vb: nieren = gefenesteerd
2) venen = capaciteitsvaten
- stevige adventitia
- regulatie preload
- kleppen voor compartimentalisering = tegen zwaartekracht in
- scheuren in kleppen = valisches = spataders
opname aan cappilairen
- algemeen
- 99% passief
- filtratie = drukverschillen
- diffusie = concentratieverschillen - factoren
- drukken & concentraties
- tijd van bloodstelling
- verschillende weerstanden
- beperkingen door diffusie/permeabiliteit/stroomtijd
- enkel grote hydrofobe stoffen nog niet in evenwicht tegen einde - weerstand
- cytoplasma = tegen hydrofobe stoffen
- membraan = tegen hydrofiele stoffen & vetoplosbare stoffen vb: vitADEK, steroïdhormonen, CO2 & O2
- basale membraan
- matrix
- dikte cappilair wand
types endotheel
continu endotheel = meeste
1. intracellulaire spleten
- door intercellulaire verbindingen
- permeabiliteit kan weizigen
- verhoging door histamine = ontstekingsmediator
- bijna volledig impermeabel aan ZS = hersenbloedbarriere
- door spleten & astrocyten toch transport
2. blaasjestransport = transcytose
3. kanalen
gefenesteerd endotheel = voor cellen met verhoogde opname
1. type 1
- lymfeklieren, endocriene klieren, plexus choroideus & GI
- kleine poriën
- doorlopende glycocalix
2. type 2
- glomeruli van nieren
- sterke filtratie
- doorbroken glycocalix
discontinu endotheel = sinusoïdaal endotheel
- zowel intracellulair epitheel als basaal membraan onderbroken
soorten toevoer van bloed
1) non-nutriteive = shuntstroom
- bloedsomloop in gang houden
- normale verbruik van weefsels
- lage O2 ontrekking
2) nutritieve stroom
- hogere zuurstofnood
- hoger metabolisme van bepaalde weefsels
- verwijden van terminale atriolen
- mogelijke precappilaire sfincters openen
- atrioveneuze anastomosen afsluiten
drukverloop vaten
- soorten bloedvaten
- aa. lage opp & hoge druk = hoge snelheid
- cap. hoog opp -> lage druk -> lage snelheid
- vv. lage opp & lage druk = hoge snelheid = mechanismen veneuze terugvloei - drukgradient
- drukgolf sneller door bloed als snelheid van bloed
- geen drukken bij cappilairen
- hoge druk bij overgang door terugkaatsting van drukken & lage rekbaarheid
- pulsaties bij venen door ontdubbeling - polsdrukken
- a-top = atriasystole
- c-top = ventrikelsystole
- X-dal = ejectie fase
- v-top = terugveren ventrikels
- y-dal = heropenen ventrikels
bloeddruk
- uidrukkingen
- bloeddruk = HD x PW = SV x HF x PW
- SDB = systole bloeddruk = 120
- DBD = diastole bloeddruk = 60
- polsdruk = SBD - DBD
- gemiddelde bloeddruk = DBD + (SBD + DBD /2 of 3) afh van positie meting (grote vaten/perifeer)
–> waarde als hart continu zou pompen
- bij meting: bloed horen = turbulente flow want spuiten
- hogere drukken bij sneller kloppen & vasoconstrictie - enkel-arm-index
- druk in enkel altijd hoger als in pols
- ook in lig (waardes)
- 0,7-1,1 = oke
- >0,5 & <1,2 = pathologie
- aterolsclerose & obesitas = hoge waardes = versuikeren elastica lagen = verstijven
factoren die bloeddruk beïnvloeden
- afhankelijkheid
- diastole afh van HD, PW, vulling & rekbaarheid van vaatstelsel
- systole afh van DBD, DV, rekbaarheid & ejectie snelheid - factoren: stijging bij
- SV = beide
- HF = beide
- PW = beide
- vulling vaatstelsel = beide
- viscositeit = beide
- ejectie snelheid = systole omhoog <=> diastole
- compliantie weefsel = diastole omhoog <=> systole - grote vulling vaatstelsel
- grote veneuze terguvloei & mindere rekbaarheid
- grote stijging
hartfrequentie factoren
- leeftijd
- geslacht
- lichaamstemperatuur
- trainingstoestand (aeroob)
- inspanning
perifere weerstand factoren
1) contractie van bloedvaten
- constrictie = stijging
- dilatatie = daling
vooral regulering door veneus = regulering preload
2) elasticiteit
- minder elastisch bij ouderdom
3) viscositeit = hematocriet = aantal bloedcellen in lichaam
- vb: lage hartslag doping wielrenners
4) bloedvolume
5) systole- & diastole BD
- SBD ≈ HD
- DBD ≈ PW
meten van bloeddruk oor lichaam
barosensoren
1. baroreflex = reksensoren in bloedvatwand
2. druksensoren van hart
- chemo/baro & mechanosensoren
- zowel hoge als lage druk in atria
3. secundaire sensoren
- chemo/baro & mechanosensoren van luchtwegen
- thermo & mechanosensoren huid
4. glomus aorticum
- controle van hart
- in aortha boog
- gevoelig voor SBD
5. glomus caroticum
- controle hersenen
- in sinus carotis
- gevoeligst & voor beide
regelcentrum = medulla oblongata
- VMC vasomotorencentrum = ortho via n. accellerans
- CMC cardioinhiberendcentrum = para via n. vagus
effectoren = huid, skeletspieren & buikingewanden
receptoren hart & bloed
orthosympaticus = (nor)adrenaline
- beta-effect = vasodilatatie
- alfa-effect = vasoconstrictie
- hierarchie van impulsen = corticohypothalamatische verbinding
- voorrang aan impulsen verbonden met emoties & instincten
- noradrenaline
- hart x β1 = positieve ino-& chronotropie
- bloedvate x α»_space; β2 = alfa-effect = vasoconstrictie
- algemeen = hogere BD - adrenaline
- hart x β1
- bloedvaten x α < β2
- lage C = beta-effect = vasodilatatie
- hoge C = alfa-effect = vasoconstrictie
parasympaticus = acetylcholine
- nicotine receptoren = neuronaal & musculair
- muscarine 1 -> 5 vb: hart = M2
- leidt tot vasodilatatie & lagere bloeddruk
humorale regeling bloeddruk
- AZS
- RAAS-systeem
- histamine
- ADH = vasopressine
andere vasodilaterende hormonen
- bradykinine = klierweefsel
- VIP
- ANP
RAAS
= renine, angiotensine, aldosterln systeem
tekening nier
in JGA
- meten van zuurstofgehalte
- meten van debiet = snelheid & doorbloeding
1. stijging van bloeddruk
2. verhoogde filtratie in nier
3. meet zouten in voorurine
4. meten door JGA
5. productie van renine
6. angiotensine
7. renine = enzym
8. agniotensine I
9. activering van ACE = angiotensine convergerend enzym
10. angiotensine II (zelfde receptroen corona
11. vasocontrictie & hoger hartdebiet
–> geen vasoconstrictie van vas afferens door lokale productie van NO & prostaglandines
12. minder capaciteit in vaatstelsel
13. verhoging van bloeddruk
+ productie aldosteron door bijnierschors
–> renale hypertensie = versperring van bloedvat = overproductie van renine & verhoging van bloedruk
–> betablokkers, ACE-inhibitor & ARB
aldosteron
- vrijstellende factoren
- RAAS-systeem (angiotensine II)
- daling van Na
- stijging van K - productie vanuit cholesterol in zona glumorulosa in bijnierschors
- meer Na/K-ATP-ase pompen in nier tubulus cellen
- 3 Na naar bloedzijde, 2 K naar urine zijde
- depolarisatie van tubuluscellen
- uitstroom van andere postieve ionen vb: H+ & K+
- regulering van osmotische waarde bloed
- bloedvolume neemt toe
- afbraak in lever
Histamine
= in mastcellen
allergische reactie
- normaal = vasodilatatie
- overdreven reactie/shock mogelijk = anafilactiesche shock
ADH
= anti-diueritisch hormoon
= vasopressine
- stapelen in neurohypofyse samen met oxytocine
- vrijstellen
- meer H20 kanalen in distale tubulus & verzamenbuisjes
- meer water ontrekken uit urine
- mogelijkheid tot sterk hypertonische urine
- stijging bloedvolume & bloeddruk
- erg hoge C = vasoconstrictie
geen aanmaak bij alcohol: volume urine = volume distaal van lis van henle
regulering van bloeddruk art vs ven
vasoconstrictie = hogere bloeddruk
- arterieel
- effect op perifere weerstand = afterload
- negatieve invloed op weefsel = zuurstofarmoede
- tijdensinspanning doorloeding darmen verminderen voor vasodilatatie in spieren te compenseren - veneus
- effect op preload
- geen effeect op bloedtoevoer
- grootste veranderen = capaciteitsvaten
autoregulatie van bloedvaten
- EDRF = endothelio derived relaxing factor
- NO = stikstofmonoxide
- vasodilatatie
- 2 soorten van endotheriaal NO synthase
- eNOS = basale vorm: lage & constante productie, kleine veranderingen door Ca
- iNOS = induible = afh van omgevingssfactoren vb: temp & verzuring - CGRP = calcitonine gengerelateerd peptide
- afh van Ca concentratie
- vasodilatatie
- migraine = teveel = hoge vasodilatatie in hersenen - myogene sturing = effect op bloeddruk
- hoge BD = vasoconstrictie = hogere weerstand & meer drukverval
- lage BD = vasodilatatie = weefselperfusie gelijk houden
- meer gevoelig bij cerebrale, coronaire & darmcirculatie - metabole struing
- vasodilatatie afh van activiteit
- reactie op lactaat, temp, pH, ischemie
- vb: postischemische reactieve hyperemie - andere
- VIP vasoactief intestinaal polypeptide = enkel GI
- endotheline = vasoconstrictie
regulatie van gladde spiervezels algemeen
mechanisme
1. stijging Ca
2. activering myosine light chain kinase MLCK
3. contractie cyclus
aanpassingen
1. Ca concentratie
- hoger = grotere contractiekracht
- extracelluliare vloeistof door kanalen
- intracelluliar door SR & mito
- vermindering van noradrenaline afgifte = lokale remming, niet door OS
- blokkade van adrenerge receptoren = alfa1
- blokkage van calmoduline binding op Ca
longcirculatie
- pulmonale circulatie
- truncus pulmonalis
- a. pulmonalis
- linkerlob = 2 delen, rechterlob = 3 delen
- vv. pulmonales - drukken
- lage drukken door hoge compliantie
- door 1 cellig endotheel ron d alveolen
- grote verschillen van druk door ademhaling
- afh van houding ventilatie/perfusie = zones - perfusie
- 10% van bloedvolume
- 1 SV aanwezig, totaal verblijf = 2 hartcycli
- weinig vasomotorische controle
- overschakeling tussen verschillende delen longen mogelijk - bronchiale circulatie
- aorthe
- hoofdweg met aftakkingen
- links-rechts-shunt = 98% terug naar VCI, 2% mengen met zuurstof rijkbloed van v. pulmonlais
- pathologie bij teveel menging
- ASD, VAD & vernauwe v. pulmonalis (oedeem)
regulatie van longcirculatie
≠ grote circulatie
- geen invloed van baro & chemosensoren door geen neurale invloed
- lokale invloeden: via bloed long bereiken
1) stijging van HD
- rekrutering van cappilairen bij teveel <=> distensie bij te laag
- passief door drukveranderingen = compliante bloedvaatjes
2) ventilatie perfusie verhouding onderhouden
- alveolaire circulatie & bebloeding:
hoog aan longbasis -> laag aan longtop
- ventilatie/perfusie verhouding:
laag aan longbasis -> hoog aan longtop
–> long top moet efficienter werken
- automatische reactie van bloedvaten
- vasocontrictie bij O2 tekort in alveolen = geen zuurstof dus geen opname nodig
- vasodilatatie bij CO2 teveel in bloedvaten
- hoogste stage = hoge perifere weerstand door constante vasoconstrictie
Hersencirculatie
- cirkel van Willes
- lage drukken door compliant weefsel
- compiantie = bescherming tegen dichtklappen van venen
- autoregulatie door reactie op CO2, adenosine, H+ & K+
- weinig alfa-receptoren = vasoconstrictie door neuropeptide Y - bloed-hersen-barriere = bloed-liqour barriere
- cerebrospinaal vocht = destillaat van bloed door plecus choroideus in ventrikels
- ventrikels = chemosensoren
- barriere naar hersenen
- bescherminsfactor = niet alle stoffen bereiken hersenen
- door veel tight junctions bij astrocyten ≈ gespecialiseerde pericyten
- transport op active manier
Intestinale circulatie
- verloop
- a. mesenterica = aanvoer
- spijsverteringsstelsel = voedselstoffen opnemen
- v. porta
- lever = filteren
- v. hepatica - algemene regulatoren = AZS
- niet-essentieel systeem bij stress situaties = defense reaction bij hoge zuurstof nood
- negatieve invloed van orthosympatisch ZS
- energie opname verkleinen om energie verbruik te herleiden
- als net na maaltijd = verstoorde spijsvertering - lokale regulatoren
- Ka
- adenosine
- hypermolariteit vb hyperglycemie (suiker) = extra bloedtoevoer
- O2
–> vasodilatatie & precappilaire sfincters regelen - darmtumor
- venietigen BW rond orgaan
- vervangen losmazig BW tot collageen
- darminklemming
- minder O2
- lactaat productie
huiddoorbloeding
- delen van huid
- epidermis
- dermis = bloedvate, lymfe, zenuwen, …
- hypodermis - dermale papillen
- koud = sfincters sluiten = korte doorbloeding & weinig opp
- warm = sfincter openen = lange doorbloeding & veel opp
- ziekte van Reynaud = lokale vasoconstricties = witte tenen & vingers
- bradykinine = afvalstof = stimuleren van NO - maximale afkoeling
- 1,5l in houd
- beperkte inspanning in hitte = groot deel circulatie herleidt naar huid
- ≈ na eten
- ineens stoppen = geen spierpomp meer = moeite met veneuze terugstroom
spierdoorbloeding
- soorten spiervezels
- 1 = aeroob
- 2X = anaeroob > aeroob
- 2A = anaeroob
- progressief meer vascularisatie bij aerobe spiervezels door hoge O2 nood - lokale regulatie door spieren
- P02 & PCO2 sensoren = vasodilatatie bij O2 tekort / CO2 opstapeling
- myokines = hormonale stoffen die tonus beïnvloed
- verzuring = vasodilatatie door lactaatproductie = zuurstoftekort
venueze terugvloei
- vis a tergo = kracht in rug
- hart = druk aan begin van veneuze stelsel
- in lig = groot genoeg voor terugvloei - vis a laterale = kracht van opzij
- venocontrictie = reflex voor snellere stroomsnelheid
- spierpomp = FMD flow mediated delations door ritmische samentrekkingen
- kleppen
- ontdubbeling rond aa. - vis a fronte = kracht van voor
- systolische & diastolische aanzuiging
- adempomp = drukveranderingen in mediastinum tijdens ademhaling
–> inademen = bloedaanzuigen <=> uitademen
–> persen tijdens blazen van instrument = verstoring
bloed algemeen
1) bloedcellen
- rode bloedcellen = erythrocyten = geen kern = O2 transport
- witte bloedcellen = leucocyten = immuunstelsel
- bloedplaatjes = trombocyten = bloedstolling
–> vanuit hematopoetische stamcellen = HSC = in beenmerg
2) bloedplasma = 90% water
- koolhydraten
- vetten
- eiwitten
koolhydraten in bloedplasma
- oorsprong
- exogeen = eten
- endogeen = opslag in lever & spieren
- gluconeogense (transaminaties AZ) - glucose/glycogeen
- hormonen van pancreas
- insuline = beta-cellen = bij aanwezigheid van eten = omzetten naar glycogeen
- glucagon = alfa-cellen = bij afwezigheid van glycose & insuline(!) in bloed = omzetten naar glucose - stresshormonen
- fysieke & mentale stress = verhoogd metabolisme door fight, flight, freeze
- adrenaline = acuut
- cortisol = chonrisch: bijnierschordhormoon = coritcoïd - groeihormonen
- hogere metabolisme voor groei
- STH = somatrofisch hormoon = groeihormoon
- IGF = insulin-like growth factor
- T3/4 = schildklier hormoon = transcriptie van meer receptoren
- BDNF = brain derived neurotrophic factor
suiker in bloed
normoglycemie = 70-110 mg/l
hypoglycemie
- graad 1 = 55-70
- graad 2 = > 55
–> counter regulatory hormones voor verhoging
= (nor)adrenaline & cortisol
hyperglycemie
- net na eten
- diabetes = geen insuline = langer hyperglycemisch
–> plakkerig bloed -> neuropathieën
TIR = time in range
normaal = 70-110
diabetes = 70-180
lipiden in bloedplasma
- transport
- slecht oplosbaar in water: groot & apolair
- gebonden aan eiwitten = apoproteïnen & lipoproteïnen - soorten vetten
- triglyceriden
- fosfolipiden
- cholesterol: HDL & LDL - HDL = high denisity lipoproteins
- vet < proteïnen
- goeie cholesterol
- omhoog door fysieke activiteit - LDL = low denisity lipoporteins
- vet»_space;> proteïnen = overladen
- afzetting van vet in bloedvaten = atherosclerose
- slechte cholesterol
- afh van voeding
- LDL-native = niet schadelijk
- LDL-oxidized = reageren met zuurstof radicalen
- -> omzetten door sport: lage intensiteit, hoog volume - andere
- vLDL
- chilomicronen
eiwitten in bloedplasma
= plasma eiwitten
= clusters
- albumine = bulk eiwit
- 1/2 van de eiwitten in plasma
- klein eiwit dat wordt aangemaakt in de lever
- regulatie van COD colloïd osmotische druk & dus ook lymfe
- transport molecule: hoge cappaciteit & lage affiniteit
–> SHBG = sex hormone binding globin x testosteron met hoge affiniteit, vol = test binden met albumine
- pH regulatie door proton bining
–> pH bloed = 7,4 - globulines
- alfa & beta = zuurstoftransport: hemoglobine in RBC = 2xalfa + 2xbeta
- beta = bloedstollings elementen
- gamma = immuniteit: antistoffen
–> opklimmende grootte ≈ albumine - fibrinogeen = tegen bloedstolling
–> verwijderd bij serum - kristalloiden = kristalloïd osmotische druk
PO2 & PCO2 in bloed
- normale waarden pO2/CO2
- arterieel = 100/40
- veneus = 40/47
- verschillen nodig voor spontane gasuitwisseling - complexeren
- pO2: gebonden met hemoglobine telt niet mee = oxyhemoglobine
- pCO2: gebonden met hemoglobine telt niet mee = carbaminoglobine
- > competitie op oxy-hemoglobine: verhoogde O2 vrijgave bij CO2 overmaat
- koolzuuranhydrase buffersysteem: CO2 + H20 <=> H2CO3 <=> HCO3- + H = bicarbonaat
–> pCO2 ≈ pH
- in rust: 1/4 van O2 gebruikt: reserve = inspanningen
–> overdracht aan andere dragers vb: myoglobine & neuroglobine
pH in bloed
= normaal 7,4
veranderingen
1. progressieve inspanning
2. 1e verzuringspunt = op gang komen buffer systeem
3. lactaat productie = H+ productie
4. koolzuuranhydrase buffersysteem zet H+ om tot H20 & CO2
5. zuur uitademen
6. 2 verzuringspunt = maximale werking enzym
7. hyperventileren
+ buffer van fosfaten, eiwitten, …
ionen in bloed
osmotische druk door ionen = mineraloïd osmotische waarde
aldosteron = regulatie Na/K pompen = osmoregulatie
Ca
- calcitonine
–> haalt Ca uit bot = hogere C, geproduceerd in schildklier
- parathormoon
–> dalen C, bijschildklier
hematopoiese
hematocriet
= verhouding cellulair / totaal volume
≈ rode bloedcellen / totaal volume
- normaal = 40-45%
hematopoeise
1. 2e week
- megaloblasen in extra embryonaal weefsel
- geen leukocyten
2. 2e maand
- ontstaan leukocyten
- lever & milt
3. 5e maand
- uit alle botten
- rood beenmerg
4. na geboorte
- enkel rood beenmerg in schedel, bekken & wervelkolom
- andere vervetten = geel beenmerg
- kan opnieuw geactiveerd worden bij tekorten
5. HSC
HSC stamlijnen
- lymfoide stamcel
- NK naturalkiller cellen: geen specifieke reactie = eerste reactie
–> permeabiliteit van membraan verhogen = apoptose induceren
- T-lymfocyten = cellulaire specifieke immuniteit
- B-lymfocyten -> plasma cellen = antigenen = humorale specifieke immuniteit - myeloide stamcel
- granulocyten
- erythrocyten
- megakaryocyt
–> afbrokkeling = thrombocyt
- monocyt = bewegend in bloed -> macrofaag = nesteling
–> antigeen-presenterde cellen & fagocyteren
granulocyten
= myeloïde stamlijn
1) neutrofiele
- snel nestelen in weefsel
- fagocytose van afval & lichaamsvreemde eiwitten
- na 2-5dagen opgeruimd door macrofagen
2) eosinofiele
- allergische reacties
- lysozymen = cellen afbreken
- 2-5dagen
3) basofiele
- nestelen = mastcellen
- productie van histamine & stollingsremmend heparine
- ook rol in allergische reacties
hematopoietische groeifactoren
= cytokines
- paracriene functie = lokaal
- erytrocyten
- vooral erytropoëtine EPO van nier
- corticosteroïden
- androgenen
- groeihormoon & T3 - leukocyten
- koloniestimulerende factoren = CSF
- interleukinen door leukocyten
–> immuunrespons - thrombocyten
- trombopoëtine
- in lever & nieren
- hogere aanmaak van megakaryocyten
rodebloedcellen
= erythrocyten
1. cellen
- biconcaaf met putje: dun membraan dicht bij elkaar voor kleine barriere Hb x O2
- gemakkelijk vervormbaar = door kleinste bloedvaten
- sferositose = opgeblazen = hogere gevoeligheid voor barsten
- samenstelling: water, hemoglobine, enzymen, …
- cellen zonder kern = reticulocellen ≈ thrombocyten
- eigenschappen
- binding met zuurstof = met Fe in porfine ring
- reactie: HbH+ + O2 -> HbO2 + H+ ≈ pH-regulatie
- binding met CO2 = op N-terminus van globulines = carbaminoglobine
saturatie grafiek Hb
= de sigmoïdale curve
1) moeilijk deel = lage partieël druk
= compititie
- veel protonen met lage affiniteit
- weinig zuurstof met hoge affiniteit
–> weinig binding van zuurstof
2) makkelijk deel = grote affiniteit van zuurstof
3) moeilijk deel = hoge partieël druk
= plafoneren
- enkel 4 ijzerbindingen mogelijk per hemoglobine = capaciteit vol
veranderingen in saturatie grafiek Hb
de rechtsverschuiving bij pH-daling
1) reactie = HbH+ + O2 <=> HbO2 + H+
2) protonen toevoegen
3) verschuiving van evenwicht naar links = dissimilatie
4) lagere pH = meer protonen = minder bezetting
rechtsverschuiving van temperatuur stijging
–> meer kinetiek = minder stevige binding = makkelijkere dissimilatie
rechtsverschuiving door meer 2,3-BPG = 2,3-bifosfoglyceraat
- bindt met desoxyhemoglobine
–> dissociatie bevorderen
- efficentere overdracht van O2
- feotaal = minder affiniteit = bevoerderde zuurstofbinding
myoglobine
- eigenschappen
- sterke linksverschuiving tov. hemoglobine
- bij erg lage zuurstofspanningen O2 afgeven
- 1 globine = 1 heamgroep = 1 x O2 - gebruik = extra suurstof aanvoering
- bij grote inspanningen
- bij langdurige samentrekkingen = grote hoeveelheid bij houdingsmusculatuur
- hoge hogeveelheid bij duikende zoogdieren
Bohr- & Haldane effect
Bohr-effect = rechtsverschuiving bij pCO2 stijging
1. hogere pCO2
2. koolzuurandhydrase = omvorming tot H+
3. linksverschuiving bij HbH + O2 <=> HbO2 + H & vorming carbaminoglobine
4. lagere O2 bezetting op hemoglobine
omgekeerd Bohr-effect = hogere affiniteit van Hb voor O2 bij uitademing in loven
Haldane effect = hogere affiniteit van Hb voor CO2 bij verbruik van O2
regulering erythropoiese
- erythroproteïne
- productie in endotheelcellen van JGA
- activeren van stamlijn = meer RBC
- fysiologisch = lager pO2 door hoogte
- pathologisch = anemie door hart/nier/leverfalen - vitamine B12 & foliumzuur
- cofactoren voor aanmaak van hemoglobine globulines
- vb: extra folium bij zwangerschap - Fe = centrum van porfinering
- anders deformante kern
- exogeen = voeding vb: kolen
- endogeen = depots + 120 dagen turnover door lever & milt
HbA1C
= geglycosyleerd hemoglobine
- bij diabetes patienten
–> hoge suikerwaardes = binding van suikers op hemoglobine
- gebruikt voor meting van levels
AGALEF-principe
- milt = stockage RBC
- begin van afbraak
- zware inspanningen = samentrekken om extra RBC in bloed
- lever = afbraak - lever = effectieve afbraak
- eiwitten -> AZ -> cytoplasma = recyclage
- Fe = ook recyclage door lage opname in darmen
- ijzerdepots = binding op ferritine & hemosiderine in beenmerg, lever & milt
- transport = transferrine
- heamgroep = omzetten tot bilirubine
- uitscheiding via galblaas - pathologie
- na geboorte = teveel RBC
- afbraak
- bij lever misfunctie = geel kindje
- kan leiden tot chronische ontsteking -> leverfalen -> transplatatie
bilirubine
process afbraak
1. heamgroep
2. ferdoglobine
3. biliverdine
4. bilirubine
voorkomen
- bloed = bilirubine-albumine complex
- lever = binding op glucuronzuur = bilirubine-glucuronide
- galblaas = galzouten
- uitscheiding als sterobilinogeen
- deel via enterohepatische kringloop terug opnemen
- omzetten tot urobilinogeen
barrieres
mechanische barrieres
1. huid
- adhesie moleculen: desmosomen tussen epitheel cellen, hemidesmosomen tussen epitheel & lamina basalis
- krachtverdeling & barriere exogene stoffen
2. slijmlaag
- water, glycolipiden & glycoproteïnen
- plakkerig = exogene stoffen tegenhouden
chemische weerstandsfactoren
1. maagsap
- HCl
- laag pH = denaturatie eten, schimmels, baterieën, …
2. vagina
- lactaat = melkzuur
- tegen exogene stoffen maar ook tegen spermatozoa
- 48u rond eiersprong = verminderde zuurheid
microbiele weerstandsfactoren
- 50-60% lichaamscellen
- in colon voor vertering = vormen van vitaminen & short chain fatty acids (tegen ROS)
- in oksel
bewegingsfactoren
- peristaltiek: diarree, plassen
- anti-peristaltiek: hoesten, snuiten, overgeven
aspecifieke humorale immuniteit
lysozyme = zure hydrolase
- knippen van eiwitten, vetten & KH op aspecifieke manier
- celwand van bacterie breken = afsterven
lactoferinne = glycoproteïne
1. bacterie zowel celmembraan als celwand
2. eisen voor vorming celwand
- O2, H2O, pH, temp, cofactoren: Fe, HCO3, Ca, …
- verschillend van bacterie tot bacterie
- tetanus = anaërobe bacterie = geen O2 nodig = verkramping spieren
3. lactoferinne = complexeren van Fe
4. geen deling meer mogelijk = bacteriostatisch
interferron
1. virus heeft RNA of DNA met eiwitmantel
2. nood aan gastheercellen
3. infectie
4. activatie immuunsysteem
5. productie interferron
6. inhibitie deling als RNA & DNA
7. geen voorplanting virus & koorts
complement (appart)
complement
= aspecifieke humorale immuniteit
activering door infectie = lichaamsvreemde stoffen in lichaam
klassieke pathway
1) antigen x antilichaam complex vorming
2) activering van C1
3) cascade reactie
4) MAC-component = C5b6789 = eindcomplement
5) binden met eiwitten
- niet meer delen
- makkelijker afbreken
–> gerichter werken
alternatieve pathway
1) stoffen binden met specifieke receptoren op membraan
2) specifieke eiwitten tot expressie
3) biosurface material herkennen
4) C3 activeren
5) MAC-component
…
aspecifieke cellulaire immuniteit
- vreemde partikels in stroma
- delen van bacteriën
- vrijkomen van LPS lipopoly saccharide uit celwand
- opname van LPS door macrofagen
- 1e opsonisatie = activatie van M
- productie van cytokines vb: interleukines, TNF & high sensitive CRP
- opnemen van cytokines
- activeren van neutrofielen & endotheel
- 2e opsonisatie van M&N in endotheel
- productie van CD-complex, glycoproteïne door M&N
- diapedese = door endotheel naar stroma
- chemotaxie = aantrekken van M&N door CD-complex
- opname door endocytose van partikels = via pseudopodiën
- afbraak
- oxidatief = oxidative burst = ROS, H202
- niet oxidatief = lysozyme
cortisone = rechtstreek op bacterie maar ook op immuunsysteem = oxydative burst onder druk
specifieke humorale immuniteit
= B-cellen
= productie van antilichamen
process
1. productie van antilichamen
2. vorming van antigen-antilichaam-ccomplex
3. differentiatie & mitose van anders slapende B-cell
4. 2 lijnen
- plasmacellen = actieve werking door productie van antilichamen
- geheugen cellen = bescherming tegen volgende infectie
eiwit componenten
- Y vorm = 3 delen
- 1 x Fc = complementsfragment
- 2 x Fab = bindingsfragment met specifieke herkenning
- op oppervlakte B-lymfocyt
soorten immunoglobulines
- G = 1 = secundaire reactie
- E = 1 = allergieën
- A = 2 = slijmvliezen
- M = 5 = primaire reactie
- D = oppervlakte lymfocyten
verwerven van infectie
natuurlijk actief verworven
- natuurlijk opgelopen = langs mond, neus, huid, …
- actief weerstand geboden = immuunsysteem
natuurlijk passief verworven
- natuurlijk opgelopen
- passief weerstand geboden = medicijnen, chemo, …
kunstmatig actief verworven = vaccin
kunstmatig passief verworven = serum
- antilichamen toedienen = genezen maar herkenningsmechanisme niet opbouwen
kruisimmuniteit = immuniteit tegen een ziekte zal bescherming tegen een gelijkaardige ziekte geven
–> geldt voor alle receptoren vb: hCG kruisimmuniteit voor LH
autoimmuniteit = tegen eigenlichaamsstoffen
- vb: diabetes & reuma
hapten = kleinste sequentie nodig voor een antilichaam-antigen-complex te verwerven
reactie patroon van antilichamen
1e keer contact
- kleine & trage respons
- eerst gepast antilichaam maken vooraleer reactie
- productie van antilichamen & geheugen cellen
2e keer contact
- snelle & grote reactie
- directe herkenning & productie van gepaste antilichaam
- meer cellen aanmaak
specifieke cellulaire immuniteit
= T-cellen
productie in beenmerg
rijping in thymus voor 2-3 dagen = immunocomptent maken = receptoren toevoegen
1) cytotoxische T-cel
- T-receptor = glycoproteïnen: CD8-receptor
- productie van porfirines = gaten in membraan maken = afbreken
2) geheugen T-cellen
- zowel CD4 als 8 receptor
3) T-helper cellen = cytokine producerende T-cel
- antigen herkennen & presenteren aan andere cellen van immuunsysteem
- zowel T als B cel helpen
- CD4-receptor
4) T-supressorcel
- voorkomen van immuunstorm = aanvallen van volledige lichaam
- reden sterfte bij corona
bloedgroepen
- werking bloedgroepen
- stolling als contact bloedcel x antilichaam
- A = antigen A op bloedcel, antilichaam B op lymfocyten
- B = antigen A op bloedcel, antilichaam A op lymfocyten
- AB = antigenen AB op bloedcel & geen antilichamen = algemene acceptor
- O = geen antigenen op bloedval & antilichamen AB op lymfocyten = algemene donor
rhesus-factor: + of -
–> + = alles is lichaamseigen, - = enkel - is lichaamseigen
- rhesus zwangerschap
- bloed van kind kan als lichaamsvreemd gezien worden vb bij rhesus zwangerschappen: moeder is negatief & kind is positief
- 1e zwangerschap = primaire reactie = kleine reactie
-> ontwikkeling van immuniteit
- 2e zwangerschap = secundaire reactie = heftige reactie
–> kind afstoten = spontane abortus
- therapie: bloed van moeder verdunnen van antilichamen & geheugencellen
transplantaties
- soort = meestal abdominaal
- lever = 700
- nier = 500
- darm = tientallen
- pancreas = enkele - herkenning
- specifieke eiwitten & glycocalix op celmembraan
- nooit perfecte match = laagste kruisimmuniteit zoeken
- MHC = majeur histocompatibilieitscomplex
- nier = 6, lever = 4 componenten
- HLA = human leukocyt antigen
- kans verhogen door imuunrepressiva - slijtage slag
- door transplantatie + 20 jaar op orgaan
- 2e orgaan = enkel mogelijk bij hypoactief immuunsysteem
celherkenning bij diabetes & reuma
= auto-immuunreactie
1) diabetes = tegen beta-cellen in pancreas
- omgevingsfactoren leiden tot weizigingen in antigenen
- omgevingsfactoren leiden tot ontstekingsreactie in de pancreas = pancreatitis
–> genetische predispositie
2) reuma = alle mogelijke weefsel
- meestal gewrichten = gewrichtsweefsel
- psoriasis = huidaandoening
- ziekte van crohn = maag/darm
bloedingen & stolling
- soorten bloedingen
- cappilaire = druppen van bloed -> 5min = gedaan door lokale vasoconstrictie
- veneuze = vloeien van bloeden -> langer door vorming primaire stop
- arterieel = spuiten van bloed -> niet van zelf door te hoge druk - eerste fase
- vorming van zachte stop
- combinatie van vasoconstrictie & thrombocyten aggregatie - secundaire fase
- dichtmaken van vaste stop
- coagulatie
1e fase hemostase
- prostacycline
- normaal = continue productie door endotheel
- tegen bloedstolling
- verlaagde productie door beschadiging = induceren stolling - NO
- productie gelijk aan prostacycline
- wegvallen = vasoconstrictie - thromboxaan A2
- aanmaak in thrombocyten (10 dagen turnover)
- aantrekking andere thrombocyten voor aggregatie
- productie van andere stoffen: ADP, PAF plaatjesactiveringsfactor & vassoactief serotonine - endotheline & serotnine = vasoconstrictie
2e fase hemostase
- reactie op schade
- intrinsieke pathway = reactie op cytoplasmatische componenten van cellen bloedvat
–> bloed x collageen = vrijstelling von-willebrandfactor
- extrensieke pathway = reactie op GAG van omliggen weefsel = vrijkomen factor 3 = weefseltromboplastine - cascade reactie
- activatie van factor 10
- commonpathway
- protrombine + factor 10
- trombine
- fibrinogeen + trobine
- fibrine
- connecties tussen thrombocyten vormen
- harde stop
bloedontstollers deel I
natuurlijk
1. tPA weefsel plasminogeen activator
2. plasminogeen
3. plasmine
4. fibrinolyse = knippen & oplossen van ketens
stoffen
1. EDTA
- Ca is cofactor bij fibrinogeen -> fibrine
- complexeren = cascade stopzetten
2. natriumcitraat
- hydrolyseren tot Na & citraat
- citraat complexeert Ca
3. heparine
- productie in mastcellen
- omzetting tot anti-trombine 3
- blokkering van factor 10
bloedontstollers deel I
- dikumarol = rattenvergif
- vitK = cofactor voor aanmaak factoren
- afbraak & verminderde aan maak in lever
- factoren kunnen niet meer aangemaakt worden
- lange termijn - aspirine
- bloedverdunner
- stimulering van prostacycline productie
- remming van thrombocyten aggregatie - trombine = negatiefe geedback op factoren 5 & 8
BSE
= bezinkinssnelheid van eyrtocyten
1) bloedafnemen
2) ontstolbaar maken
3) na 1u aantal mm aflezen: normaal 8-10mm
4) afwijkingen door zwangerschap of ontsteking = afwijkingen van eiwitten in bloed
5) na 24u ≈hematocriet aflezen
bloeddruk regulatie bij lichaamshoudingen
- liggend = alles op gelijke hoogte
- staand = sterke hydrostatische druk door zwaartekracht
- statische houding
- terugvoer naar hart moeilijk door wegvallen van spierpomp
- toename bloed in zwakke venen
- ophoping & eudeem
korte termijn regulatie - sensoren
- lage druksensoren in RA meten verminderde veneuze terugstroom
- atriale barosensoren meten daling van bloeddruk - prikkeling VMC -> OS
- hart = verhoogde chrono & ino
- vaatwanden = vasoconstrictie van niet essentiele venen huid & GI
lange termijn regulatie - regulering bloedvolume
- balans opname/afscheiding van water & zouten door nier
bloeddruk effect bij sporten
bloeddruk
1. hogere spieractiviteit
2. hogere veneuze terugvloei
3. lager AV-verschil
4. compensatie door hoger HD
5. sterke toename binnen 2 sec
- door hoger HD
- door vasoconstrictie van niet werkende weefsel
6. compensatie door vasodilatatie van huid voor zweten
eigenschappen
- doorbloeding dynamisch > statisch door dichtknijpen van vaten bij 20% spanning
- doorbloeding oxidatieve > glycolytische vezels door hogere O2 nood
- belasting ≈doorbloeding
- maximale doorbloeding daalt activiteit van andere spieren
bloeddruk regulatie bij sporten
- basaal gebruik
- cappilairen worden niet altijd bevloeid
- niet te weinig cappilairen = te grote weerstand - begin spiergebruik
- daling pCO2 & pH = Borh-effect
- retrograde voortgeleide vasodilatatie
- geleiding van hyperpolarisatie & transmitter
- van cel tot cel - begin bij cappilairen van spier
- verminderde OS
- relaxatie van pericyten rond cappilairen
- meer opp = meer diffusie & kleinere diffusie afstand - voortgeleiding naar grotere atriolen = vaatboom
- verlies van vocht door filtratie = hogere hematocriet
- verhoging HD - 90% van HD voor werkende spieren
- lokale temp tot 39°
gevaarlijke bloeddrukken bij inspanningen
- drukverhoging door contraherende spieren
- geen doorbloeding
- veel weerstand
- vb squat = bijna alle spieren benen werken - prikkeling van mechosensoren
- pressor effect
- verhoogde orthosympatische activiteit - opstapeling van metabolieten
- versterkt pressor effect - plotseling stoppen met bewegen
- sterke vasodilatatie in spieren & huid
- wegvallen spierpompen = moeilijkheid veneuze terugvloei
VVFC & AVFC
algemeen: hoger HD ≠ hogere drukken
VVFC = veneuze vaatfunctiecurve
- verhouding tussen hartdebiet & centraal veneuze druk
–> druk in venen dicht bij hart
- rechtevenredig oplopen
AVFC = arteriële vaatfunctie curve
- verhouding tussen hartdebiet & arteriële druk
- steiler oplopen dan VVFC door minder compliantie
1) vasoreactiviteit van veneuze stelse
- effect op VVFC
- toename van vulling veneusstelsel -> hogere bloeddruk
- toename bloedvolume kan gecompenseerd worden door veneuze dilatatie
2) stromingsweerstand in weefselcirculatie
- reguleerbaar door contractie toestand van arteriolen
- perifere vasocontrictie = verhoogde weerstand
- geen effect op bloeddruk
- tijdelijke daling in doorstroomsnelheid = lagere druk in veneuzestelsel
schema effecten hart & bloedvaten
chronotropie ≈HF ≈ HD
inotropei ≈SV ≈ HD
HD ≈ SBP & PW
PW ≈ vasocontrictie
PW ≈ DBP
vasocontrictie ≈preload
preload ≈BV
preload ≈ HD