Exo- & Endocrien P Flashcards
nieren
functies
1) exocrien
- filteren bloed & uitscheiden afvalstoffen
- osmoregulatie & volume regulatie
- regulatie zuur-base
- regulatie elektrolyten huishouding
2) endocrien
- epo
- renine
- calcitsiol = vit D = Ca metabolisme
doorbloeding = a & v renalis
delen: cortex = schors & medulla = merg
- zowel in cortex als medulla nefronen
–> cortex > medulla
- medulla = verzamelbuisjes die leiden tot nierkelk
1) nefronen
2) calix minor = kleine verzamelbuisjes
3) calix major
4) pyelum = nierkelken
nefornen
= kleinste functionele eenheid
- filteren van bloed
- ruime overcapaciteit = maar 1 echt nodig
- corticale negronen = bijna volledig in schors buiten laatste deel
- juxtramedullaire nefronen = glomeruli bij overgang schors/merg
1) lichaampjes van malpighi = blaasje
2) glomerelus = bloedvaten met gefenestreerd endotheel
3) kapsel van bouwman = gefenestreerd epitheel
= filtratie
4) tubulus contortus proximalis = primaire kronkelbuis
5) lis van Henle
6) juxtra glomerulair apparaat = connectie afferent bloedvat x tubulus distalis
ook mesangium genoemd
–> tubulus cellen produceren renine = macula densa
–> endotheelcellen produceren epo = juxtraglomerulaire cellen
7) tubulus contortus distalis = secundaire kronkelbuis
= resporptie
8) tubulus colligens = verzamelbuis
filtratie
- enkel in glomerelus
- 20-50 paralelle cappilairen
- vas afferens > efferens = vorming van druk
- 3 lagen
endotheel van cappilairen = gefenesteerd
lamina basalis
- dikker als andere weefsels
- bepaalt uiteindelijke filtratie
- max 100 & minder goed permeabel door negatieve stoffen
- albumine kan niet passeren
epitheel van kapsel van bouwman
doorstroming
1. renale bloedstroom = 20% = 1,1l
2. renale plasmastroom = hematocriet van 45% = 675 ml
- 10% van bloed dient voor O2 = voornamelijk anaeroob werken
3. 125 ml filtreren = voorurine = ultrafiltraat
4. 124 ml resabsorptie samen met andere stoffen
5. 1 ml/min = urine = diurese
meten filtratie
- inuline = geen reabsorptie = meten van excretie
–> oud - creatinine klaring
CDK klaring - jong = stadia 1 = 90+
- stadia = 4->5 = dialyse nodig
+ para-aminohippuurzuur voor plasmadoorstroming te bepalen
filtratiedrukken
- hartzijde = hydrostatische druk & colloid osmotische druk
- weefselzijde = hydrostatische druk & cristaoid osmotische druk
–> geen colloid want eiwitten worden niet gefiltreerd
evenwicht is mogelijk = filtratie-evenwicht = starling-evenwicht
als: hydrostatische druk wordt bereikt door colloïdosmotische druk
–> komt normaal niet voor
weizigingen van bloeddruk = autoregulatie om filtratie te behouden
1) myogene responsie
- te laag = vas afferens verdikken & efferens vernauwen = druk verhogen
<=> te hoog
–> over drempelwaarde = effectieve weiziging van filtratie
2) juxtraglomerulaire apparaat = RAAS systeem
tubulus contortus proximalis cellen
cellen
- dik: borstelzoom aan lumen
- veel mito & andere = transport functie
- permeabel voor water: aquaporine-type1-moleculen
–> niet gevoelig voor ADH
- max 70% reabsorptie
tubulus contortus proximalis stoffen
opname
1. Na
- 2/3
- 75% gekoppeld aan Cl, 25% gekoppeld aan HCO3-
- kleine fractie door cotransport met glucose & AZ
2. K
- 2/3
- paracellulair door solvent drag samen met H2O
3. Mg, Ca & HCO3-
afgifte
- creatinine
- ureum = geen opname maar ook geen afgifte
- lichaamseigen: acetylcholine, adrenaline & histamine
- lichaamsvreemd: peniciline, para-aminohippuurzuur
tubulus contortus proximalis eerste deel
- algemeen
- enkel transcellulair
- luminale/apicale membraan = urine zijde
- peritubulaire/basolaterale membraan = bloedzijde - urine -> IN
- Na/H-antiport Na = IN
- gebruik bij acidose
- Na/glucose-symport
- tubulair maximun sneller bereik bij bezetting door verschillende soorten sacchariden - IN -> bloed
- Na/K-anitport = Na EX
- K/HCO3-antiport = K EX
- koppeling aan Na/H & Na/K poorten
- gebruik bij acidose - endocytose van eiwitten
tubulus contortus proximalis tweede deel
- van urine naar intracellulair = koppeling
- Na/anion-antiport = Na IN
- Cl/anion-antiport = Cl IN ≠ passieve volger
– - van intracellulair naar bloed
- Na/K-ATP-ase-pomp = Na EX
- K/Cl-symport = beide EX - van urine naar bloed = paracellulair (tussen gapjunctions)
- Na & Cl pasage
- K & Mg = + lading vormt watermantel = opname
–> solvent drag: reabsorptie door normale recuperatie van water = volgen
nierdrempel
- filtratie van glucose & AZ afh van maximale absorptiecapaciteit
- microvilli
- mitochondiron
- specifieke transporters - over DW in C
- hyperglycermie bij diabetes
- hoge eiwitafbraak na intense inspanning - geen volledige reabsoprtie
- eiwitten & glucose in urine
lis van henle
- dalend deel
- platte cellen met weinig celorganellen
- permeabel voor water
- inpermeabel voor stoffen
- stijgende osmotische waarden in urine door ontrekking water
- wordt gevolgd met stijgende osmotische waarde in weefsel gemaakt door opstijgend deel
- in bocht = 1200-1400 mosm/l
- langer corticaal als medulaire nefronen - dun stijgend deel
- inpermeabel voor water
- permeabel voor stoffen
- passieve opname door hoge osmotische waardes
- dalende osmotische waarden - dik stijgend deel
- actieve opname van stoffen door gedaalde osmotische waardes
- - microvilli & transport moleculen
- cotransporter door Na/K-ATP-ase = passieve volger chool = totaal: Na/K/2Cl
- maximaal isotoon: hypertone urine pas in distale tubulus - bloedvaten = tegenovergestelde richting vloeien
- omgekeerde osmotische drukken = continue absoptie vanuit cellen
plafondwaarde = maximale uitwisseling
- uitmonden in vasa recta
- tijdens afdaling = diffusie van stoffen & O2 (maar geen eiwitten) naar opstijgende deel
–> bocht = sterke osmotische waarde & hypertonie van RBC
–> cellen rond bocht = anaerobe metabolisme
- opname van water = hogere outflow als inflow van bloed
distale tubulus & verzamelbuis
- urine
- 15% over
- permeabiliteit afh van hormonen
- faculateive terugresorptie
- uiteindelijke urine bepalen
- opname afh van homeostasen
- mogelijkheid tot sterke hypertonie - pompen
- luminaal = Na/Cl-symport = beiden IN
- basolateraal = Na/K-antiport
regulering
1. ADH = anti-diuretische hormoon
- regulering aquaporine II kanalen
- 100% luminale membraan & 75% basolateraal
2. aldosteron
- stimulering door angiotensine II, ACTH & hoge extracellulaire K
- verhoogd Na-transport door meer Na/K-ATP-ase, meer ATP-ase vrijstellen & hogere transcriptie mito enzymen
- regulatie van Ca transport
- binding aan transport eiwit vit D
- gestimuleerd door parathyroïdhormoon PTH
urether & blaas
1) urether
- longitudinale & circulaire spieren = druk& weerstand opbouwen
- overgangsepitheel = afh van volling uitrekking
- 2 sfincters = urether afsluiten van pyelum
- peristaltieksche golf elke 10sec-3min
–> vaker & krachtiger oor parasympatische ZS
- strart vanuit pacemakercellen nierbekken
2) urineblaas
- mucosa = overgangsepitheel
- muscularis = 3 lagen
blaasvulling ≈maag
1) vullen zonder vorm verandering door stressrelaxatie ≈ receptieve relaxatie maag
2) over blaascapaciteit van 400ml= mictie drempelwaarde
3) reksensoren prikkelen
4) neuron in ruggenmerg = contractie van blaas
5) inhiberent interneuron in ruggenmerg = ontspanning van interne sfincter
–> mictie reflex
6) extern tegenhouden tot effectieve mictie
osmoregulatie
urine
- grote variatie afh van nood
- hypertone urine = dorst <=> hypotoon = veel plassen
- meestal licht hypertoon
- meten door SD = soortelijke dichtheid
- isotoon = 1.010
- maximale = 1.200/1.400 in lis van henle
aanpassingen van osmotische waarde
1. te hoog = te weinig water of te veel ionen
- gelijke fysiologische effecten als te laag bloedvolume
2. meting door sensoren
- centrale = hypothalamus
- perifere = nier
- barosensoren door samenhang met bloedvolume
- kristalloïd osmotische druk bepalen
- geen controle over colloïd via nier maar albumine productie in lever
3. doorsturen naar regelcentra = hypothalamus
4. prikkeling dorstcentrum & juxtraglomerulair apparaat
5. verhoogde water opname & verlaagde water excretie (opname van Na door aldosteron)
volume regulatie
- normale omstandigheiden
- intracellulair volume ICV & extracellulair volume ECV
- enkel effectief circulerend volume meetbaar
- ECV = 2xICV met zelfde osmotische waarden
- veranderingen in ICV veranderen ECV automatisch
- algemene verandering = NaCl C controleren
- sensoren = hoge & lage druk atriale volumesenosoren & osmosensorenin hypothalamus - intrisieke regulering
- ADH
- RAAS - extrinsieke regulering
- ANP & BNP
- orthosympatische activiteit:
- dorstcentrum = regulering vasoconstrictie (voornamelijk veneus)
- meer receptoren op vas afferens als efferens = andere verhouding = drukgradiënt
- regulering NaCl resobrtie
ANP & BNP
= atraiaal & brain natriuetische factor
1. rekking van myocard of hoge Na C
2. productie van ANP & BNP
- ANP = in atria
- BNP = in hersenen & ventrikels
- opslag in atriale granula
3. fysiologische effecten = reflex van Henry & Gauer
- remming Na absorptie nier = meer urine
- verhoging van GFR = algemene filtratie
- remming RAAS systeem
- vasodilatatie
- verhoogde permeabiliteit membranen
4. verlaging van bloedvolume
acidose & alkanose
respiratoir = pCO2 afwijking door longen
metabool = HCO3- afwijking door nieren
–> neutrale pH kan ook door dubbele afwijking zijn
acidose = teveel H+
alkanose = teweinig H+
1) acidose
- respiratoir = te hoge pCO2
- metabool = te lage HCO3-
2) alkanose
- respiratoir = te lage pCO2
- metabool = te hoge HCO3-
herstellen
- respiratoir = door nieren
- metabool = door longen
- leven enkel mogelijk 6,8-7,8
–> CO2 = vluchtig = longen
–> melkzuur (KH anaeroob), acetoazijnzuur (vetverbranding) & zwavelzuur (eiwitten) niet = nieren
alkalireserve = NaHCO3
NaHCO3 + H+ -> H2CO3 + Na+
op = metabole acidose
reabsorptie: vooral proximale tubulus
- proximale: Na/H-uitwisseling
- lis van henle: Na/H in opstijgend deel
- distale: elektrogene & niet-elketrogene (met K)
soorten buffers
1) koolzuur anhydrase
2) fosfaat buffers
- NaHPO4 + H+ <=> H2PO4 + Na+
- anorganische fosfaatverbindingen
- uitscheiding in urine
–> Na kan samen met HCO3- verder opgenomen worden
3) plasma-eiwit buffers
- bindingen met eiwitten in plasma
- in bloed = eiwitten functioneren best op pH = 7,4
–> bij afwijkingen binden
4) hemoglobine = vorming van carbahemoglobine
–> voornamelijkste buffer in bloed samen met HCO3-
5) ammoniakbuffer
- door desaminering van AZ
- NH3 in voor urine = 2 wegen
1) NH3 + H+ -> NH4+ + Cl -> NH4Cl = opname
2) Na/H-uitwisselingsysteem
verloop van pH in nier
normaal altijd hoge H+ concentratie want
- zure aard van normaal dieet
- zuur productie door anaerobe metabolisme
constante pH = proximale -> distale tubulus
1) proximale tubulus
- bicarbonaatbuffer
- fosfaatbuffer
- ammoniakbuffer
2) stijgende lis van henle
- Na/H-uiwisselaar
- hoge druk door NH4Cl = weinig uitwisseling
–> opname door Na/K/Cl transporter waarbij K wordt vervangen door NH4+
sterke daling in pH
3) distale tubulus
- weinig uitscheiding H+
- weinig bufferwerking
- H+ concentratie kan 900x hoger worden
herstelling van metabolse alkanose/acidose
- komt door nieren
- herstel door longen
1) acidose = te lage HCO3-
- door lage pCO2 = buffersysteem verschuiving
- pCO2 laten stijgen
- inhibitie van expiratoire neuronen = minder inademen
–> diafragma meer ontspannen
2) alkanose = te hoge HCO3-
- door hoge pCO2 = buffersysteem verschuiving
- pCO2 laten dalen
- stimulering van expiratoire neuronen = meer inademen
–> diafragma minder ontspannen
herstelling van respiratoire alkanose/acidose
- komt door longen
- herstel door nieren
1) acidose = te hoge pCO2 in bloed
- buffersysteem zet CO2 om in HCO3- & H+
–> zowel CO2 als H+ diffundeerd naar tubuluscellen
- in tubulus cellen wordt CO2 nog steeds omgezet
–> CO2 & H+ diffusie
= CO2 omzetten & doorgeven aan urine
–> in tubulus nog steeds bufferwerking
CO2 transport gekoppeld met Na transport
alkanose omgekerd
regulering van K
functies
- 98% intracellulair
- handhaving rustmembraanpotentiaal
–> sensibiliteit van cellen = afstand tot DW
- stijging na elk eetmaal kan dit in gevaar brengen
1) opname van K
- ongelijk = eten
- buffer door intracellulaire stockage
- passieve influx = diffusie
- actieve influx = Na/K-pompen
–> hogere activatie door insuline, beta2-receptoren & aldosteron
2) renale uitscheiding
niet-gereguleerde afscheiding
- proximale tubulus & dikwandig deel opstijgende lis van henle
- paracellulaire water reflux door influx van Na
–> solvent drag = K meevoeren
gereguleerde uitscheiding
- distale tubulus & verzamelbuizen
- Na/K-pomp aan basolaterale membranen
–> hogere activatie door aldosteron
- K-kanalen aan luminale membraan
- hoge gradient door Na influx = bevordering K reflux
regulering van Mg
voorkomen
- 99% intracellulair
- 1/2 bot
- 1/2 spier & andere weefsel
- belangerijke cofactor bij enzymen
uitscheiding
- 95% resorbtie
- 70% opstijgend deel lis van Henle
–> sterk reguleerbaar
- paracellulair = door claudine 16 tussen intercellulaire speten
- stimulering door lage C, PTH, ADH, glucagon & te hoge pH
- remming door hoge C van Mg & Ca
algemeen hormonen
- effect
- uitgescheiden in bloed
- effect door binding op receptor
- membraan receptoren = eiwithormonen vb: insuline & GF
- cytoplasmatische receptoren = vet-achtige hormonen & schildklierhormonen
- peptide hormonen = preprohormoon -> GA -> prohormoon -> enzymen -> hormoon - gebonden & vrije fractie vb: testosteron
- vrije fractie = in bloed los
- gebonden fractie = op SHBG sekshormoon bindend globuline
- vol = binden op albumine met lage affiniteit
- biobeschikbare fractie = vrije fractie + albumine fractie - halfwaarde tijd
- geen uitscheiding door nier = beschermingsmechanisme
- afbraak door nier
- belangerijk bij pathologieën & medicijnen - feedbacks
- positieve & negatieve feedback
- shortloop feedbcak = tussen hypothalamus & hypofyse
- longloop feedback = tussen hypothalamus/hypofyse & doelorgaan
soorten hormonen
plaats van productie
- endocriene klieren
- hypofyse
- schildklier & bijschildklier
- bijnier
- pancreas
- ovaria & testes - weefsel hormonen
- maag = gastrine & CCK
- nier = renine - neurohormonen
- hypothalamus = oxytocine
- adenohypofyse
samenstelling
- peptidehormonen
- AZ
- van klein tot groot 200AZ - steroïdhormonen
- afgeleiden van cholesterol
- geslachtshormonen, bijnierhormonen & vitD3 - tyrosinehormone
- afgeleiden van AZ tyrosine
- catecholamiden & thyroïdhormonen
hypothalamus & hypofyse
hypofyse = prox van chiasma opticum
1. adenohypofyse
- oerdarm
- productie hormonen
- verbonden met hypothalamus door portaalsysteem
2. neurohypofyse
- neurale buis
- productie ADH & oxytocine (verliefdheidshormoon)
- verbonden met hypothalamus door directe verbinding
- verbonden met elkaar door pars intermedia = BW verbinding
- hypothalamus
- verschillende onbegrensde kernen: honger/verzadiging, lichaamstemp, dorst
- releasing & inhibiting factors
- neurale buis
- prox van hypofyse
centra van hypothalamus
1) hongercentrum
- laterale delen = hongercentrum
- ventro-mediaal deel = verzadigingscentrum
–> balans tussen beide delen
- regulatie door: reksensoren in maag, opgenomen voedsel ( erg gevoelig aan AZ), hormonen & hogere centra: geur, smaak & emoties
2) dorscentrum
- osmosensoren = meten van osmotische waarde
–> prikkeling = meer dorst
- slijmvliesreceptoren in keelholte = prikkeling bij droge mond
- atriale volumereceptoren
3) thermoregulatie
- kerntermperatuur: hoofd, borst & abdomen
–> altijd 37°
- schiltermperatuur: ledematen
–> in winter: schil<kern temperatuur
thermosensoren
- huid = koude & warmte sensoren
- hypothalamus
–> afwijking = doorgeven aan affectoren
thermo-effectoren
- stijging = spieractiviteit inschakelen = rillen
- dalen = zweten = vasodilatatie van dermale papillen
pathologie van thermoregulatie
= grote veranderingen aan kerntemperatuur
- hyperthermie = koorts
- verhoogde warmteproductie
- verminderde wartmeafgave - hypothermie = onderkoeling
- kan leiden tot bevriezing
- hypothyroïde
- shock
hormonen van neurohypofyse
- algemeen
- productie = magnocellulaire neuronen
- opslag = secretiegranula in axonale neurotubuli van hypofyse achterkwab
- transport door neurohypofyse
- korte halveringtijd = 1-3min - ADH = vasopressine
- supra-optische kern
- prikkeling centrale osmosensoren: schrompeling cellen = actiepotentiaal - oxytocine
- samentrekking van GSW
- paraventriculaire kernen
- einde zwangerschap = minder progesteron = vasodilatatie
- oxytocine = overschakeling naar single-unit type & startmelkprocutie = lactatie
- zuigreflex
- vlinders in buik
hormonen van adenohypofyse deel 1
= invloed uitoefenen op metabolisme
= regulering vanuit neurohypofyse hormonen (hypothalamus stimulering
- groeihormoon
- invloed op somatrope cellen = verhoogd metabolisme
- groei van wekeweefsels, beenmerg & hogere densiteit botten - THS thyroïd stimulerend hormoon
- invloed thyrotrope cellen = verhoogde secretie T3 & T4
- verhoogd algemeen metabolsime
- shortloop = TSH ≈ TRH thyrotropin releasing hormon
- longloop = T3 ≈ TSH & TRH
- geen dag/nacht want lange halveringstijd - gonatrope cellen = geslachtsorganen
- 2 lijnen
- FSH = follikelstimulerend hormoon
- vrouw = rijping eicel, man = sertolicellen
- LH = lutiniserend hormoon
- vrouw = ovulatie & geel lichaam vorming, man = leydigcellen
hormonen van adenohypofyse deel 2
- prolactine
- lactotrofecellen = lactogenese
- uitgroei van melkklieren & onderhouden van melkproductie
- short loop feedback: PIF, PRF & TRH(+)
- negatieve feedback na overstijgen DW - corticotrope cellen
- ACTH = adreno corticotroop hormoon
- stimuleren bijnierschors = glucocorticoïden
- MSH = melatonine stimulerend hormoon
- huipigmentatie & hersenvliezen - hormonen niet gevoelig aan hypofyse
- parathormoon
- pancreas
hormonen van hypothalamus
- prolactine: PRF & PIF
- ACTH = ACTH-RF
- TSH = TRH
- gonatotrope cellen: Gn-RF -> LH & FSH
- Gn-RF geremd door oestradiol & inhibine
- pulsen: man = 2u, vrouw = 15-24u - groeihromoon: STH-RF & STH-IF
- somatotroop hormoon releasing factor
- normaal balans RF & IF
afwijkingen
–
- kinderen = groeischijven = lengtegroei door sterke afgave
- pubertijd
- overvloed = snelgroeien maar groeischijven rapper op
- tekort = dwerggroei & mogelijkheid tot acromegalie - volwassen ≠ groeischijven
- overvloed = hogere densiteit maar weinig extern effeect
- tekort = acromegalie voortdurende groei uiteindes: kaak, vingers, …
dag/nacht ritme hypothalamus
dirunaal - = circadiaan ritme
- nucleus suprachiasmaticus van hypothalamus
- natuurlijke cyclus van minder dan 24u
- aanpassing door licht = opname door retina
- bediening van hypothalamus
- epifyse = pijnappelklier
- in 3e ventrikel
- hormoon melatonine = stofwisseling reguleren
steroideogenese
1) cholesterol
3 bronnen: bloed (LDL), reserve (cholesterolesters) of denovo (acetaat)
2) omvorming in mitochondrion: intermembranaire ruimte
3) pregnenolon = tussenhormoon
4) progesteron = sleutelhormoon
–> gebonden op albumine & CBG corcoïd bindend globuline
3 verschillende takken
inactieve weg: 20-alfa-hydroxy-progesteron = uitscheiden in feaces
bijnier actieve weg:
1) mitochondrion
2) cortisol
3) aldosteron
geschlachtshormonen & bijnierschors actieve weg:
1) 17-alfa-hydroxylase (enzym)
2) 17-alfa-hydroxy-progesteron
3) C17-20-lyase (enzym)
4) androsteendion
andriosteendion wegen
- androgene weg
- directe synthese van testosteron
- omzetting in 17-ketosteroïden
- afscheiding in urine - estrogene weg
- androsteendion -> E1 esteron
- testosteron -> E2 estradiol
- E1 <=> E2 - 5-alfa-reducase weg
- 5-alfa-androsteendion
- 5-alfa-dihydro-testosteron
- activatie van test = meest potente androgen
- veel in hersenen - 7-alfa-hydroxylase weg
- 7-alfa-hydroxy-andosteendion
- 7-alfa-hydroxy-testosteron
- inactivatie van test
feedback mechanisme steroïdogenese man
- anatomie
- zaadbuisjes met kleine & grote/Sertoli-cellen
- tussen zaadbuisjes = intersitiële cellen van Leydig
- optimale rijping op 2° lager
- afdaling kort voor geboorte
- m. cremaster bepaalt temp door afstand tot lichaam - intersitiële cellen van Leydig
- opname van LH = ICSH = intsitiële-cellen stimulerend hormoon
- productie van progesteron & testosteron
- fluctaties in afgifte door fluctuaties van Gn-RF
- negatieve feedback op FSH & LH
diffusie van lipofiele testosteron door basale membraan
- Sertoli-cel
- opname van FSH & testosteron
- productie van inhibine door test
- geen fluctuaties in afgifte
- negatieve feedback op FSH & LH
feedback mechanisme steroïdogenese vrouw
secundaire follikel = 2 cellen model
- theca
- receptoren voor LH
- steroïdogenese
- productie van progesteron & testosteron
- buitenste laag - granulosa
- receptoren voor FSH
- opname van test
- productie van E1 & E2 door aromatase
- binnenste laag
- aanmaak vocht voor antrumholte
tertiaire follikel
1) vorming van theca interna & externa
- externa = BW cellen voor katapult bij eiersprong = springen van antrumholte door druk
- intrna behoud functie
2) granulosa
- grote toename
- toevoeging van LH receptoren = steroidogenese vanaf begin
- infiltratie van bloedvaten = neocapitalisatie = hoger productie
graafse follikel = wegvallen negatieve feedback
steroiden transport
- testosteron
- SHBG = sekshormoon bindend globuline
- ABP = androgeen bindend proteïne
- productie in sertoli voor transport naar leydig maar ook door hele bloed
- 95% is gebonden
- regulering door FSH & test - progestron
- CBG = corticosteroid bindend globuline
- PBP = progestron bindend proteine van chorion - estradiol = SHBG
- bulk-eiwitten vb albumine
schildklierhormonen
= thyroid
- T3, T4 & calcitonine
- 2 lobben verbonden door isthmus
- TSH thyroid stimulerend hormoon
- aanmaak door hypofyse
- gestimuleerd door TRH van hypothalamus
- stimuleerd synthese van T3 & T4
- negatieve feedback door T3 & T4 - synthese van T3 & T4 = schildklierhormoon
- bouwstenen = I & tyrosine
- I = actief transport uit bloed
- tyrosine = thyreoglobuline in follikels = groot glycoprotëine van tyrosine
- vulling afh van productie
- I + tyrosine = T1 monojodothyronine
- I + I + tyrosine = T2 di-jodothyronine
- T1 + T1 = T3 tri-jodothyronine
- T2 + T2 = T4 thyroxyne - transport
- opslag = cisternen
- afgave aan bloed door diffusie
- T3 = TBG tyroxinebindend globuline
- T4 = TBG >&> tyroxinebindend prealbumine
- 80% gebonden
effecten van T3 & T4
- binding op receptor
- enkel T3 effectief = T4 omzetten door lever
- cytoplasmatische receptor
- grote receptordichtheid = skeletspieren, hart, lerver & nier
- lage dichtheid = huid, lymfoïde organen & gonaden - stimulatie algemeen mechanisme
- hogere transcriptie van enzymen voor energie metabolisme
- cytochromen & -oxidasen = capaciteit ademhalingsketen reguleren
- sensibilteit reguleren = Na/K-ATP-ase pompen - weefsel differentiatie
- prepuberaal = T3 maakt cellen gevoeliger voor GH
- puberaal = bijkomend testosteron = groeispurt - afwijkingen
- hypotheroidie = kalm & moe
- hypertheroidie = stress
calcium metabolisme
1) rol van calcium
- bloedstolling = activatie van intrisieke/extrinsieke pathways
- spiercontracties = binding op tropinine C
- skelet = calciumcarbonaten & fosfaten
–> carbonaat & fosfaat metabolisme ≈ Ca
- enzymatische reacties = cofactor
- zenuwstelsel = geleiding
- transport door cellen door Ca-ATP-pomp & Na/Ca-uitwisselaar
2) opname = dunne darm onder invloed van calcitriol = product van vitD3
3) renale uitscheiding
- proximale tubulus = 65% ≠ reguleerbaar
- opstijgend deel = 25% = reguleerbaar door PTH
- distale tubulus = 8%
–> grote marge van regulatie mogelijk
- opname passief door Ca kanalen
–> PTH vergroot permeabiliteit
4) tijdelijke mitochondrionale regeling
- opname door Ca-ATP-ase pompen
- opslag in matrix
vit D
- opname van 7-dehydrocholesterol
- transport naar lever door bloed = gebonden aan vitamine-D-bindend proteïne
- omzetting onderinvloed van licht
- 25-hydroxylcholecalciferol
- omzetting in proximale tubulus cellen
- calcitriol = 1,25-dihydroxycholecalciferol
- fysiologische effecten
- verhoogde opname van calcium & fosfaten
- stimulering botgroei
calcium hormonen
1) calcitonine
- thyroid
- productie door C-cellen in zelfde follikels als schildklierhormoon
–> andere dieren = andere klier, overblijfsel van cellen
- bij teveel Ca
- osteoblasten stimuleren, osteoclasten remmen
- meer Ca excretie in nier & minder opname
–> hogere opname van fosfaten
2) parathormoon = PTH parathyroïdhormoon
- minder productie bij hogere Ca-concentratie
- parathyroid
- productie vitD = transport
–> tekort = osteopenie & porose + ideopatische neuropathie
- osteoclasten stimuleren
- meer Ca opname & minder excretie (Ca & fosfaten) in nier
bijnier
1) merg = catecholamines
- verhooging van energie metabolisme
- noradrenaline
- cellen zijn neuronen = AZS
2) schors
zona glomerulosa = aldosteron
- minerale corticoiden
- regulering zouthuishouding
- heel kleine glucocorticoïd werking
zona fasciculata = cortisol & corticosteron
- glucocoricoïden = suikerhoudhouding
- samenspel met catecholamines
- te lang stress = uitloging van bijnier
zona reticularis = geslachtshormonen
- secundaire productie naast geslachtsorganen
- grenzen aan niermerg
- zowel androgenen als estrogenen
- menopauze = geen hormonen meer via eicel
–> enkel bijnier = meer androgenen bij vrouwen = gezichtsbeharing
cortisol
- voorkomen
- direnaal ritme = piek sochtends & savonds
- geen verband aan licht/donker maar spieractiviteit
- transport = CBG cortisol bindend globuline
- stimulering door ACTH
- aanmaak bij stress
- afbraak in lever = 17-hydroxycoricoïden - functie
- inhibitie opname van glucose & eiwitten in weefsel = mobilisatie
- wel opname eiwitten in lever = gluconeogese
- verhoogde gluconeogenese = atrofie pezen & sarcopenie spieren
- verhoogde mobilisatie vetten & lipolytische werking van adrenaline/GH
- immuunsysteemremmend
regulering van bijnier
- ACTH adreno corticotroophormoon
- hogere productie bijnier: gluco & mineralo corticoiden & geslachtshormonen
- productie in adenohypofyse
- moeder molecule = POMP pro-opiomelanocortine - CRF corticotrope RF
- productie door hypothalamus
- hypofyse simuleren
- verhoging weerstand door cytokines
- verhoging arousal door OS
- verhooge vrijgave bij stress - feedback
- shortloop = negatieve feedback CRF x ACTH
- longloop = positieve feeback aldosteron & cortisol op CRF/ACTH