H 6B Flashcards
Deeltijds werken
Travailler à temps partiel
Wat is je beroep (2x)
Quelle est votre profession?
Quel est votre métier?
Wat voor werk doe je ?
Que faites-vous comme travail?
Que faites-vous comme métier?
Wat doe jij van job ? (informeel)
Quelle est ton boulot
Waaruit bestaat uw werk ?
En quoi consiste votre travail?
Heeft u vast werk ?
Vous avez un emploi fixe?
Halftijds werken
Travailler à mis temps
Voltijds werken
Travailler à temps plein
Hoe zeg je ‘werken’ op een informelere manier ?
bosser
Ik ben werkloos
Je suis chômeuse
Je suis au chômage
Ik ben gepensioneerd
Je suis retraitée
Ik ben zelfstandige
Je suis indépendante
Ik ben ambtenaar
Je suis fonctionaire
Ik ben bediende
Je suis employée
Ik ben met vervroegd pensioen
Je suis à la retraite anticipée
Ik werk als mma
Je travaille comme secrétaire médicale
Ik ben verantwoordelijk voor het onthaal van de patiënten
Je suis responsable de l’accueil de patients
Ik houd me bezig met het archief.
Je m’occupe des archives
Heel graag doen / houden van / dol zijn op
J’adore
Ik werk voor een privépraktijk.
Je travaille dans un cabinet privé
Geïnteresseerd zijn in
S’interesser à
Ik pendel
Je fais la navette
Ik speel golf
Je joue au golf
Ik ben vaak onderweg
Je fais la route
Ik speel voetbal
Je joue au foot
ik speel piano
Je joue du piano
Ik speel gitaar
Je joue de la guitare
Hoe gaat het met je?
Comment vas-tu
Het gaat goed / Ik voel me goed.
Je me porte bien
Alles in orde?
Tout vas bien
Ik voel me tiptop / Het gaat uitstekend / Ik ben weer de oude.
Je me sens au top
Hoe gaat het met de gezondheid ?
Comment vas votre santé
Ik voel me redelijk goed.
Je me sens relativement bien
Hoe voel je je vandaag ?
Comment vous sentez-vous aujourd’hui
Het gaat beter
Je vais mieux
Voel je je al beter ?
Vous vous sentez mieux?
Ik voel me niet (zo) goed.
Je ne me sens pas (assi)bien
Gaat het al iets beter?
Ca va un peu mieux
Ik voel me rot / ellendig.
Je me sens patraque
Scheelt er iets ?
Ça ne vas pas?
Ik heb overal pijn.
J’ai mal partout
Heb je ergens pijn ? (2)
Vous avez mal quelques part
Vous souffrez de quelque chose
Ik ben bekaf / doodmoe.
Je suis épuisé
Heb je je pijn gedaan ? (2)
Vous vous êtes fait mal
Vous vous etes blessé
Ik ben gespannen. Ik sta onder stress.
Je suis tendu
Je suis stressé
het kan beter (informeel)
ni bien ni mal
couci-couça
Het gaat goed / Ik voel me goed.
Je vais bien
Expliquez : je suis moche (dit betekent ook : ik ben lelijk)
Je me sens patraque
ik heb me al beter gevoeld (informeel)
Pas terrible
Ik ben duizelig
J’ai des vertiges
Ik heb een verkoudheid
J’ai un rhume
Ik heb geen honger
Je n’ai pas faim
Je n’ai pas d’apetit
Ik ben verkouden
Je suis enrhummée
ik heb geen eetlust
Je n’ai pas d’apetit
Ik heb een verkoudheid opgelopen
J’ai attrapé un rhume
Ik krijg niets naar binnen
J’ai l’estomac barbouillé
Ik heb kou gevat
J’ai pris froid
Ik heb mijn been gebroken
Je me suis cassé la jambe
Ik heb griep
J’ai la grippe
Ik heb mijn arm gebroken
Je me suis fracturé/cassé le bras
ik voel me grieperig
Je suis grippé(e)
Ik heb mijn voet verstuikt
Je me suis foulé le pied/ la cheville
ik heb koorts
J’ai de la fièvre
Ik heb mijn enkel verzwikt
Je me suis foulé la cheville
ik ben misselijk
- J’ai des nausées
ik moet overgeven
Je dois vomir